Categorieën
2019 Duitsland Nederland

Van Osnabrück naar Venlo

In de nazomer fiets ik vier dagen in Duitsland. De tocht loopt vanaf Osnabrück over en parallel aan de lang gestrekte heuvelrug van het Teutoburger Wald naar het zuidoosten, om na Paderborn het Ruhrgebiet van oost naar west te doorkruisen. Het is een zeer afwisselende tocht, met veel natuur uiteraard ook stadsjungle, en tussen Dortmund en Duisburg regelmatig markante industriële bouwwerken in het vizier. Ik leg 450 kilometer af en stijg daarbij bijna 4.500 meter.

Dag 1: Osnabrück > Kempen (114 km)

Vanmorgen ga ik al heel vroeg met de trein naar Deventer, en vanaf daar naar Osnabrück. Opgewekt rij ik bij het Hauptbahnhof weg. Ik voel en hoor gelijk een irritant ratelgeluid in de aandrijving (op het moment zelf verdenk ik het voorblad, maar bij thuiskomst blijkt het euvel een versleten achterblad), met als gevolg dat ik vier dagen lang met een ratelende fiets opgescheept zit. Maar ja, met een fiets met Rohloff-naaf ben ik wel aan irritante bijgeluiden gewend.

De eerste helft van de route is erg afwisselend. Ik rij vaak over smalle asfaltwegen en pak af en toe stukjes gravelwegen en bospaden mee. Er zijn veel klimmetjes, maar deze zijn niet lang (ik blijf tussen de 125 en 225 m) of steil. Het is bekend terrein: ik ben al drie keer met de Tecklenburger Rundfahrt hier in de omgeving geweest, en herken een fraai gelegen bospad van een voorbereidingsritje op de TBR van afgelopen voorjaar.

Halverwege de dag wil ik kijken wat er waar is van de Bielefeldverschwörung: een komplottheorie die claimt dat de naar verluidt nabijgelegen stad Bielefeld niet bestaat (https://en.wikipedia.org/wiki/Bielefeld_Conspiracy). En verrek: ook al fiets ik er speciaal voor een saaie weg de heuvelrug over, het lukt me niet om ook maar één glimp van Bielefeld op te vangen. Ik neem me voor om komplottheorieën vanaf nu serieus!

Tot slot fiets ik ten noorden van Paderborn vijftien kilometer lang over kasseistroken door een bos- en heidegebied – een oefenlocatie van het leger. Na een calorierijk intermezzo in Schlangen klim ik 250 meter naar het hoogste punt van de dag en bereik ik Camping Eggewald. Dit is een prima plek: niet te groot en mooi gelegen, en in de oude stallen is een museum gevestigd waar men een oude tractor en landbouwmachines kan bewonderen.

Dag 2: Kempen > Allagen (103 km)

Nadat ik een foto van de hout zagende campingbaas heb genomen, ga ik op weg. Het eerste stuk fiets ik over paden en gravelwegen door het bos, gevolgd door een paar kilometer over de grote weg. In Neuenbeken sla ik linksaf, ga onder het spoor door en begin aan enkele klimmen (en afdalingen) over smalle geasfalteerde wegen door een windmolengebied. Rechts achter mij kan ik de lang gestrekte heuvelrug van het Teutoburger Wald goed zien.

Vanaf Grundsteinheim rij ik een heel stuk onverhard door het verlaten bos van het Sauertal. Af en toe is de weg wat slechter en overwoekerd, maar ik kan blijven fietsen. En dát ondanks dat ik vlak voor deze reis slicks (Schwalbe Supreme) heb gemonteerd. Deze cosy socks banden filteren oneffenheden bijzonder goed weg en komen vooral tot hun recht op asfalt en droge gravelwegen. Slechts eenmaal, in dit Sauertal, ga ik bijna onderuit op een stukje kleiachtige modder.

Na 35 kilometer pauzeer ik in Atteln bij de Rewe. Deze supermarktketen heeft een voor vakantiefietsers uiterst aantrekkelijke formule: de bakker en koffiemachine bevinden zich steevast vóór in de zaak, met zitgelegenheid, zodat je even kunt uitrusten en toch je fiets(tassen) in de gaten kunt houden. En de Rewe komt op het juiste moment: de energie van de pasta pesto van vanmorgen vroeg is nu wel uitgewerkt, en ik moet nog bijna 70 kilometer op en af.

Vanuit het stadje snij ik over een steil en slecht pad af naar de hoofdweg, die ik al snel verlaat voor een etappe door een tweede windmolengebied. Via het pittoreske Fürstenberg klim ik over een brede weg naar de Albachstausee, en vervolgens door het bos naar het derde windmolengebied van de dag. Over kleine wegen fiets ik naar de grotere plaats Brilon, scoor een Fanta voor wat extra energie, en rij langs de grote weg verder naar Altenbühren.

Het hoogste punt van de dag is de Warsteiner Kopf in het Arnsberger Wald. In dit gebied rij ik, veelal over gravelwegen, een uur lang tussen de 480 en 560 m. In de afdaling kom ik langs de enorme Warsteiner Brauerei. Via Hirschberg bereik ik uiteindelijk de camping, waar ik mijn tent naast de speelplaats opzet. Er loopt een heel schattig wit fluffy hondje rond dat ik het liefst mee naar huis zou willen smokkelen.

Dag 3: Allagen > Werden (124 km)

Vandaag staan er veel minder heuvels op het programma. Ik ga namelijk naar het Ruhrgebiet. Na een korte afdaling naar de Möhnesee fiets ik een hele tijd langs dit water. Ik zie veel ebikers, waaronder regelmatig vadsige mannen van 30 à 40 jaar oud op eMTBs. Na een doorsteek naar de Hevesee klim ik in het bos over gravelwegen. Ik daal af naar Neheim waar ik de Ruhr bereik. Na de klim aan de overzijde van het dal wordt het dal landschap veel weidser.

Met zo’n 60 kilometer in de benen fiets ik ten zuidoosten van Dortmund het Ruhrgebiet geruisloos in. Vanaf Haus Rodenberg in Stadtbezirk Do-Aplerbeck, waar wordt getrouwd, volg ik een tijdje de Emscher Radweg. Na een appelflap en koffie bij de Rewe zie ik vanaf het gladde fietspad bij de Phönixsee in de verte de Hochofen en Gasometer van de Hörder Bergwerks- und Hütten-Verein (https://de.wikipedia.org/wiki/H%C3%B6rder_Bergwerks-_und_H%C3%BCtten-Verein).

Via autoluwe wegen en fietspaden, soms door stukjes bos, arriveer ik bij de enorme campus van de Technische Universität Dortmund, waar ik onder de H-Bahn (onbemande monorail) door fiets. Zo’n tien kilometer verderop bereik ik in Do-Bövinghausen het kolenmijn- en industriecomplex Zeche Zollern (https://en.wikipedia.org/wiki/Zollern_II/IV_Colliery). Het ziet er hier prachtig en indrukwekkend uit, maar helaas heb ik geen tijd voor een bezichtiging.

Ik ben blij dat ik de route vooraf goed heb uitgedokterd, want soms raak ik in deze ongeorganiseerde aandoende stadsjungle van autowegen, spoorwegen, fietspaden en bos gedesoriënteerd. En dan, als verrassing, beland ik in Bochum opeens bij een mooi park met lommerrijke lanen en statige huizen. Hier bevindt zich het Deutsches Bergbau-Museum (https://en.wikipedia.org/wiki/German_Mining_Museum), het grootste mijnbouwmuseum ter wereld. Hierna fiets ik lang over een fietspad over een voormalige spoorlijn.

In Dahlhausen steek ik via de smalle Schwimmbrücke de Ruhr over. Aan de andere kant heb ik bovenaan de klim een fraai, weids uitzicht op het Ruhrgebiet. Weer beneden fiets ik een tijdje met een jongedame op een fitnessbike langs de Baldeneysee. Zij vertelt over de familie Krupp, die aan de overzijde naast Villa Hügel (https://en.wikipedia.org/wiki/Villa_H%C3%BCgel) een eigen station liet bouwen, zodat de keizer op de koffie kon komen. Ik eindig deze superleuke fietsdag op een wat massale camping aan het water.

Dag 4: Werden > Venlo (107 km)

Deze dag bestaat uit twee delen: in de ochtend rij ik kriskras door het Rurhgebiet, en vanmiddag volgt het laatste stuk naar Venlo. Maar zover is het nu nog niet. Eerst klim ik onderlangs Villa Hügel naar Essen. Ik fiets onder het Hauptbahnhof door naar het grote stadscentrum van Essen, en vanaf daar naar het enorm grote Zeche Zollverein (https://en.wikipedia.org/wiki/Zollverein_Coal_Mine_Industrial_Complex), sinds 2001 Unesco Werelderfgoed. En dan te bedenken dat het hier vroeger wemelde van dit soort kolenmijnen en industriecomplexen.

Hierna ga ik verder naar het voormalige Zeche Nordstern (https://en.wikipedia.org/wiki/Nordsternpark) in Gelsenkirchen, dat aan het Rhein-Herne-Kanal is gelegen. In de omgeving van het Nordsternpark staan diverse interessante objecten, waaronder een enorme, blote Herkules von Gelsenkirchen (https://de.wikipedia.org/wiki/Herkules_von_Gelsenkirchen) die markant bovenop een mijntoren staat. Ik zou hier wel langer willen blijven, maar ik moet verder!

Het volgende ‘hoogtepunt’ van mijn fietstrip is de Tetraeder (https://en.wikipedia.org/wiki/Tetrahedron_in_Bottrop), een bovenop een sintelafvalberg in Bottrop gelegen piramide-achtige uitkijktoren, die gebaseerd is op een wiskundig viervlak. Dit is wat mij betreft het beste uitzichtpunt van het hele Ruhrgebiet. Ik fiets verder tussen het kanaal en de Emscher in, zie aan mijn linkerzijde de Gasometer van Oberhausen, en bereik het Landschaftspark Duisburg-Nord (https://en.wikipedia.org/wiki/Landschaftspark_Duisburg-Nord) waar zich een voormalig hoogovencomplex bevindt.

Enkele kilometers verderop kom ik bij de Rijn aan. Voordat ik deze oversteek, fiets ik eerst langs de Innenhafen van Duisburg en daarna door het centrum van deze lelijke stad. Ik bereik via de Brücke Der Solidarität de westoever van de Rijn en maak de resterende 45 kilometers naar Nederland vol. Het enige lichtpuntje van dit laatste supersaaie stukje naar Venlo is een ijsje van het benzinestation in Neukirchen.

Statistieken

– Dag 1: Osnabrück > Kempen (114 km; 1.525 hoogtemeters)

– Dag 2: Kempen > Allagen (103 km; 1.532 hm)

– Dag 3: Allagen > Werden (124 km; 878 hm)

– Dag 4: Werden > Venlo (107 km; 506 hm)

Categorieën
2019 België Duitsland Luxemburg Nederland

De Ardennen

Ter compensatie van de vroegtijdig afgebroken Kirgizië-trip fiets ik in augustus door de Ardennen. De tocht gaat van Maastricht naar de Franse grens, van Sedan naar Luxemburg-Stad, en via de Hoge Venen terug naar Nederland. Het landschap is afwisselend, het wegdek voornamelijk asfalt en de temperatuur erg hoog. In zes dagen leg ik ruim 600 kilometer af en stijg daarbij 7.200 meter. (Helaas zijn de meeste foto’s kwijtgeraakt.)

Dag 1: Maastricht > Barveaux (91 km)

Al vroeg kom ik met de trein in Maastricht aan. Ik fiets via de Sint-Servaasbrug, het Onze Lieve Vrouweplein en de Sint Pieterstraat richting de Sint Pietersberg. Na het uitzichtpunt bij de ENCI-mergelgroeve ga ik verder zuidwaarts langs de Maas en het Albertkanaal. Daarbij fiets ik een tijdje op met twee sympathieke psychologiestudenten. De route door Luik gaat soepel: deze staat overal goed aangegeven, en de stukjes fietspad onderlangs de kade zijn leuk.

Na Luik volg ik een tijd de Ourthe. Soms is de fietsroute ingeklemd tussen rivier en spoor. Meestal is het wegdek prima; slechts eenmaal moet ik over een stenig pad klunen. Omdat alleen maar langs de rivier fietsen saai en niet echt uitdagend is, fiets ik ook enkele onnodige klimmetjes. Uiteindelijk bereik ik een met Hollanders gevulde gezinscamping aan de Ourthe. Voor het eerst sinds mijn eerste fietsvakantie (in 2000) heb ik een stoeltje meegenomen.

Dag 2: Barveaux > Poupehan (107 km)

Ik snij vanaf Barvaux een stuk van de Ourthe af en kruis bij Hotton weer over de inmiddels smalle rivier. Na enkele stukjes jeep track en wandelpad volgen saaiere wegen, door flink bebost landschap en nauwelijks nog door rivierdalen. Dit is een van de hoger gelegen gedeelten van de Ardennen, met klimmetjes tot ca. 400 meter. Het is hier tevens ‘zomerkamp-land’: overal zie ik groepen pubers lopen en zelfs fietsen – en dat in deze hitte!

Bij Rochehaut bereik ik de Semois (fraai uitzicht!) en volgt een aardige afdaling naar Poupehan. Ik beland op een te dure familiecamping: ik betaal maar liefst 24 euro voor een flutplek bij het toiletgebouw. Daar verdedig ik mijn armzalige stekkie met allerlei attributen tegen het aso-campingvolk dat tergend dicht langs de tentharingen loopt. Maar het kan erger: op de buurcamping blèren tokkies tot diep in de avond mee met Hollandse muziek.

Dag 3: Poupehan > Arlon (102 km)

Vanaf de Semois klim ik gelijk van 200 naar zo’n 450 meter. In Corbion ontbijt ik op de stoep van de supermarkt. Vlak na dit dorp passeer ik de grens met Frankrijk, sla van de grote weg af, en rijd over prima gravelwegen door het bos zuidwaarts. Via gehuchten met namen als Olly en Illy daal ik verder af naar Sedan in het Maasdal. Het landschap is aan deze kant van de grens veel mooier en meer open dan aan de Belgische zijde. Ook is de wegkwaliteit navenant beter.

In Sedan bevindt zich één van de grootste vestingen van Europa: het Château de Sedan. In de recente militaire geschiedenis (1870, 1914, 1940) speelde de stad een strategische rol. Ik rij een paar blokjes door de statige straten van het centrum en fiets vervolgens de stad uit via een prima aangelegde fietsroute langs de Maas en vervolgens de Chiers – een uitstekende voorbereiding van het e-biken langs de Donau, later als ik oud ben.

Bij Tétaigne steek ik de rivier over en klim ik geleidelijk over kleine wegen en door kleine dorpjes. Na Matton-et-Clémency volgt een fraai stukje over een smalle weg en daarna een jeep track door een bos naar de Belgische grens. In Chassepierre rijd ik een tijdje parallel aan de N83 oostwaarts. Mijn geplande route is soms geblokkeerd doordat hele stukken bos zijn afgesloten vanwege het jachtseizoen. Daardoor rijd ik onnodig over saaiere wegen om.

Bij Étalle neem ik in plaats van de N83 een kaarsrechte romeinse weg, die op een gegeven moment best wel hobbelig en stoffig wordt. Vlak voor Arlon kruis ik de Semois: vanmorgen vroeg bij de camping was dit nog een brede rivier, maar in de bovenloop resteert slechts een nietig stroompje. In Arlon-Noord beland ik op een passantencamping aan de N4, met een prima restaurantje en een vriendelijke receptie.

Dag 4: Arlon > Vianden (100 km)

Via de achterzijde van de camping fiets ik over een nauwelijks zichtbaar paadje naar Bonnert, en vanaf daar via smalle asfaltwegen en een bospad door de lieflijke Vallée des Trois Moulins richting de grens. Vanaf Eischen neem ik de ‘piste cyclable de l’Attert’ zuidoostwaarts. In Luxemburg heeft men diverse oude spoorlijnen omgetoverd in fietsroutes met prima wegdek, waardoor je eenvoudig grotere afstanden kunt overbruggen.

Na Steinfort opent het landschap zich en rij ik via dorpjes als Garnich en Holzem over fietsvriendelijke wegen naar Luxemburg-Stad. Daar ga ik door de autoloze Vallée de la Pétrusse, een kloof die tussen de oude vesting (het ‘Gibraltar van het Noorden’) en de wijken aan de zuidzijde ligt. Ik fiets onder de Pont Adolphe door (in 1908 de grootste stenen boogbrug ter wereld), klim naar de Rocher du Bock, en daal weer af naar de Alzette.

Vanaf Dommeldange klim ik gestaag naar 400 meter hoogte over een fietsroute die grotendeels over het tracé van de oude spoorlijn naar Echternach loopt. Bij Hemstal sla ik af naar Hersberg. Hier daal ik door het bos langs de Härdbaach af over een goed te fietsen wandelpad. In dit lieflijke dal bevindt zich de Kuelscheier: een donkere, smalle rotstunnel van ongeveer 100 meter lang waar je doorheen kunt wandelen.

Na een stukje over de gewone asfaltweg ga ik in het dal van de Hallerbaach weer off-piste. Ditmaal is het pad zo lastig dat ik af en toe moet afstappen. Maar dat geeft niet, want het is hier prachtig! In het toeristische Beaufort bereik ik de grote weg weer en kom ik na een korte afdaling 200 meter lager uit in Reisdorf aan de Sûre. In Wallendorf sla ik linksaf en fiets ik het laatste stuk langs de Duitse zijde van de Our over een mooi weggetje naar de camping in Vianden.

Dag 5: Vianden > Troisvierges (83 km)

Vanaf de camping klim ik over een mooie piste cycable naar Fouhren, en vanaf daar verder naar Brandenbourg. Hier bevindt zich de prachtig gelegen ruïne van het gelijknamige kasteel. Ik scoor een appelflap en koffie in Diekirch. Een stukje verderop kom ik vlak voor Ettelbruck bij het Patton Monument: een beeld van generaal George S. Patton Jr. Hij bedenkt hier met een verrekijker in zijn handen vast weer een geniale tactiek om de Duitsers (“those lousy Hun bastards”) op te jagen.

Vanaf Warken fiets ik weer noordwaarts door een mooie, stille vallei. In Welscheid klim ik in enkele haarspeldbochten naar een plateau, gevolgd door een grandioze afdaling over een autoluwe weg naar de vallei van de Sûre. Hierna volgt een ietwat vervelende klim naar een volgend plateau, met daarna een afdaling naar de vallei van de Clerve. De piste cycable langs de meanderende rivier tot aan Wilwerwiltz is echt prachtig!

In Clervaux bevindt zich de Benedictijnenabdij van St-Maurice en St-Maur, in 1910 gebouwd naar het model van de bekende abdij van Cluny. Nep dus. Het is inmiddels 16.00 uur, maar nog steeds heet. Na het nuttigen van een uitgestelde beloning – een enorme sinaasappel, twee perziken en een blikje Fanta – ben ik weer wat afgekoeld. Wat resteert is een stukje peddelen langs de rivier, die inmiddels de Woltz heet, voordat ik op de camping in Troisvierges arriveer.

Dag 6: Troisvierges > Heerlen (124 km)

Het is vandaag alweer de laatste dag van deze korte fietsvakantie. Vanwege de lange afstand en de verwachte hitte sta ik voor dag en dauw op. Hierdoor kan ik het eerste deel van de Vennbahnradweg in alle rust fietsen. Deze fietsroute is mooi aangelegd, en biedt de mogelijkheid om in slechts één dag helemaal vanuit Luxemburg naar Nederland te fietsen. In Sankt Vith, waar tijdens het Ardennenoffensief in WW2 flink is gevochten, scoor ik Torte und Kaffee als ontbijt.

Bij Waimes snij ik een stuk van de Vennbahnweg af, die hier wel erg ruime slingers maakt. Verderop snij ik nogmaals af, ditmaal door de Hoge Venen. Dit gebied is met meer dan 600 meter weliswaar het hoogste punt van de reis, maar bepaald niet het hoogtepunt. De weg voert namelijk vooral door en langs saaie stukken bos. Ik ben dan ook blij als de route vanaf de Wesertalsperre weer wat afwisselender wordt.

In de schaduw van de stokoude Aachener Dom bestel ik koffie en een broodje. Daarna rij ik via een leuke route Aken uit. Ik fiets hierbij een tijdje op met Fabian, die me uitnodigt om bij hem in Kohlscheid even wat Apfelsaft te komen drinken. Guter Vorschlag! Hij blijkt professioneel fotograaf en heeft veel gereisd, onder andere in Pakistan (voor werk) en Mongolië (fietsen). Het is gezellig en ik kan nog wel uren blijven, maar ik moet toch echt weer verder!

Het laatste stukje van de route voert afwisselend over smalle weggetjes langs Wasserburg Haus Heyden en de Amstelbach naar Kerkrade, en via de Wilhelminaberg naar het centrum van Heerlen. Met een recordtemperatuur van meer dan 40°C is dit de heetste plek van heel Nederland. In Heerlen is men het station aan het verbouwen en werken de liften niet. Als een sardientje in een blik ga ik met de fiets aan de hand in een drukke, hete trein terug naar Den Bosch.

Statistieken

– Dag 1: Maastricht > Barveaux (91 km; 837 hoogtemeters)
– Dag 2: Barveaux > Poupehan (107 km; 1.604 hm)
– Dag 3: Poupehan > Arlon (102 km; 1.131 hm)
– Dag 4: Arlon > Vianden (100 km; 1.159 hm)
– Dag 5: Vianden > Troisvierges (83 km; 1.298 hm)
– Dag 6: Troisvierges > Heerlen (124 km; 1.159 hm)

Categorieën
2018 Duitsland Nederland

Van Dresden naar Roermond

In oktober 2018 fiets ik van Dresden naar Roermond. De weg voert door het Erzgebirge, Sauerland en het Thüringerwald, langs de Elbe en de Rur, en door pittoreske plaatsen, bossen in herfsttinten en mistige rivierdalen. Ik leg in negen dagen zo’n 1.000 kilometer af en stijg daarbij bijna 10.000 meter.

Dag 1: Dresden > Geising (121 km)

Vanaf Amsterdam neem ik de Flixbus naar Dresden. Op het oponthoud bij de grens na –de Polizei plukt een junkie met drugs uit de bus– bevalt me deze nachtelijke reisoptie uitstekend. In Dresden aangekomen neem ik nauwelijks de tijd om me aan de opgeknapte barokke bouwwerken in het propere stadscentrum te vergapen. Niet lummelen, maar fietsen! Ik heb mezelf een straf schema opgelegd – best uitdagend, blijkt later, vanwege de vroege zonsondergang in oktober zo oostelijk in onze tijdzone.

De eerste vijftig kilometer fiets ik zuidoostwaarts met de Elbe aan mijn linkerzijde. Aan de overkant zie ik regelmatig paleisjes tussen het uitbundige groen. Na Pirna volgt een grote S-bocht in de rivier, met hoog boven de Elbe de Bastei, en in de verte de heuvels van de Sächsische Schweiz. Vanaf Bad Schandau win ik de klim van de tram (de Kirnitzschtalbahn) en rijd ik een –in de haast– ingekort onverhard rondje door het Nationalpark, waar de bomen me het zicht op de befaamde rotsformaties ontnemen. Schade.

Het is al halverwege de middag, maar ik heb nog meer dan 50 kilometer en 1.400 hoogtemeters voor de boeg. Oeps… Tussen Postelwitz en Krippen neem ik het pontje over de Elbe en fiets lange tijd naar het zuidwesten. Hierna volgt een behoorlijk heuvelachtige etappe, over asfalt afgewisseld met bospaden. De ‘open’ landschappen met de mooiste uitzichten op de herfstige bossen bereik ik in het schemer. Onder de wassende maan zie ik groepjes herten grazen. Het heeft wel iets om hier eenzaam te ploeteren.

Nadat ik anderhalf uur door het donker heb gereden, en met volgens planning nog tien kilometer voor de boeg, besluit ik om bij een eenvoudig hotel in Geising te stoppen. Onder het genot van Reichenbrander bier klets ik nog een poos met uitbater Jens. Hij vertelt trots dat dit kleine dorp met slechts 1.200 inwoners dankzij ondernemerschap en gemeenschapszin veel heeft bereikt: goede medische voorzieningen en diverse sportfaciliteiten (ijsbaan, skiliften, sneeuwkanon). De lokale curlingploeg had zich zelfs bijna voor de Olympische Winterspelen gekwalificeerd.

Dag 2: Geising > Bozi Dar (106 km)

Ik neem afscheid van Jens en klim vanaf het gemütliche Geising naar het toeristische Altenberg, en vanaf daar door het bos verder. Bij Neuhemsdorf opent het landschap zich weer en heb ik een weids uitzicht naar het noorden. Hier sla ik linksaf. Ik volg een heel aardig fietspad langs een beek. Rechts van mij is alleen maar bos, terwijl zich aan de Tsjechische zijde een heel open landschap bevindt. Dit is echt een mooi gebied om te fietsen!

Bij Teichhaus sla ik linksaf, en neem ik een fietspad naar Eine Herberge im Bos. Daarna fiets ik bovenlangs een heuvel met wederom een weids uitzicht, gevolgd door een heel stuk door het bos met prachtige herfstkleuren en om de zoveel kilometer stapels houtstammen langs de weg. In Neuhausen bevinden zich een houten-speelgoedfabriek en dito museum. Vanaf Grünthal klim ik een tijd gestaag langs een kabbelend beekje. Dit stuk is helemaal in het bos, dus er is niet veel te zien.

Ik fiets al de hele dag in het Erzgebirge: de 150 kilometer lange bergketen op de grens van Saksen en Bohemen, die zijn naam dankt aan de rijkdom aan ertsen die er lange tijd gedolven werden. Ik bespeur hier veel maakindustrie, musea over ambachten en oude spoorlijnen. In Steinbach sla ik linksaf naar het zuiden en rij langs een beek met aan de andere zijde een spoorlijn waar een heuse stoomtrein over rijdt. In Schmalzgrube steek ik via een gravelweg door naar Tsjechië. Iets verderop fiets ik naar Vodní Nádrž Přísečnice (de Preßniz-dam.

De weg langs het meer is breed en saai. Vlak voor Měděnec opent het landschap zich weer. Je kunt hier ver Tsjechië in kijken, al is er vandaag veel smog. Hierna volgen nog behoorlijk wat kilometers en hoogtemeters over brede, meestal licht stijgende wegen, en overwegend door het bos; pas bij skioord Klínovec kan ik weer ver kijken. In het halfdonker kom ik in Bozi Dar aan, en neem ik een hotel. Ik heb het ook op dag 2 niet tot de geplande camping gered. Verdammt noch mal!

Dag 3: Bozi Dar > Hof (103 km)

Vanaf Bozi Dar fiets ik de eerste tientallen kilometers door naaldbos (saai!) en weidegebieden (fraai!). Op de strogele hoogvlakte nabij Prebuz voel ik me echt in het buitenland: er zijn nauwelijks mensen en maar af en toe zie ik een huis. In de buurt van Club Nancy, de plek waar ik gisteren eigenlijk had willen kamperen, is het prachtig. De weg slingert door het mooie bos langs een beekje omlaag. Overal dwarrelen bladeren in de lucht, en op sommige plekken is de weg ermee bezaaid. Herfst in volle glorie!

In de Tsjechische stadjes waar ik doorheen kom zijn best veel fabrieken, winkels en andere gebouwen dicht en vervallen. Wat een contrast met de nette Duitse plaatsen aan de andere kant van de grens. Ik kom ook door Luby, sinds de tweede helft van de 17e eeuw een centrum van de vioolbouw, dat met het verdrijven van de Duitsers na de Tweede Wereldoorlog teloor ging. En in Kraslice kom ik langs een winkel met op de voorgevel levensgroot Buurman & Buurman: zouden deze twee onhandige klussers verantwoordelijk zijn voor de slechte staat van de gebouwen hier?

Vanaf een oude, vervallen textielfabriek in Plesna start een mooie fietsroute –vaak smal en onverhard– afwisselend door Tsjechië en Duitsland. Ook het stukje vanaf Worla is fraai. Hier wil ik nog wel een keer terug komen. Ten zuiden van Hof (Bayern) fiets ik door een stadspark en steek ik via grappige, overdekte houten bruggetjes de Untreusee over. Wanneer de zon ondergaat heb ik het alweer niet tot de camping gered. In Hof vind ik gelukkig wel een betaalbaar hotel en doe me te goed aan een Wiener Schnitzel.

Dag 4: Hof > Meyersgrund (119 km)

Hof heeft een aardig stadscentrum, met name de Neustad bij de Sächsische Saale. Deze rivier steek ik enkele keren over. Ik vervolg mijn weg over een onverhard fietspad onder het viaduct onder de A72 door naar Saalenstein. Vanaf hier is het even bikkelen om de hooggelegen A9 te kruisen. Direct na de Autobahn hierna mag ik weer tweehonderd meter afdalen. Zo, de spieren zijn nu goed opgewarmd voor deze lastige dag met veel hoogtemeters.

In Blankenstein begint de klim naar het Thüringerwald. De weg stijgt heel geleidelijk tussen de weiden door. Eenmaal boven op de heuvelrug gaat het de rest van de middag op en neer over asfalt- en gravelwegen. Eerlijk gezegd had ik me dit gebied veel mooier voorgesteld. De dorpjes lijken op het eerste gezicht aardig, zo met de donkergrijze pannetjes op de gevels van de huizen, maar blijken bij nadere inspectie een toeristisch Kurort, een fabrieksstadje of gewoonweg een dooie boel. Fraaie uitzichten zijn er nauwelijks. Ik vind de Rennsteig zwaar overrated.

Op een fietspad raak ik nog even aan de praat met een fietser op leeftijd, die dankzij trapondersteuning weer in staat is –net als vroeger– om veel hoogtemeters te maken. Ik race weer eens tegen de klok om bij daglicht de overnachtingsplek te bereiken. Tevergeefs. Het laatste uur fiets ik in het (schemer)donker over een gravelweg, waar ik ook nog eens een afslag mis, en daardoor over een wandelpaadje moet afsteken naar het dal waar ik in het pikkedonker bij camping Meyersgrund aan kom. Het goede nieuws is dat ik eindelijk mijn tent en kookgerei kan gebruiken, zodat ik die niet voor niets heb meegezeuld.

Dag 5: Meyersgrund > Probsteilzella (104 km)

Vanaf de camping klim ik over een aardige gravelweg door het bos naar de heuvelrug (900 m). Na een duur kopje koffie in een kiosk met een mooi panoramisch uitzicht ga ik verder over een asfaltweg. Ik blijf nu een tijdje redelijk op deze hoogte. In Oberhof bevind ik mij opeens op een vreselijke plek. Het stikt hier van de verveelde dagjesmensen die tussen parking en indoor skibaan heen en weer slenteren. Ook zie ik voor het eerst deze vakantie mensen op elektrische mountainbikes rijden.

Ik ga hier weer een stukje verder over Rennsteig. Voor naaldboomliefhebbers is dit pad misschien puur genieten, maar door het gebrek aan mooie uitzichten vind ik het maar saai. Na een lange afdaling kom ik weer uit het bos te voorschijn. Vanaf Floh volg ik een stukje oud spoorlijntracé. Na een paar honderd meter stijgen bereik ik de Elfriedenquelle. Via een gravelweg daal ik af tot een mooi dalletje met daarin de kabbelende Laucha. Deze beek volg ik via Tabarz naar Langenheim, een aardig dorpje aan weerszijden van de Laucha.

Beneden in het licht glooiende, brede dal kruis ik de Autobahn (A4) drie keer op een rij. Gezien mijn strakke tijdschema moet ik het historisch interessante Eisenach –geboorteplaats van Johann Sebastian Bach en woonplaats van Maarten Luther–links laten liggen. Mijn route voert door vele kleine dorpjes over soms slechte, onverharde landweggetjes naar de meanderende Werra. Het laatste half uur fiets ik in het schemer met de lichten aan. Om 19.00 uur bereik ik de geplande finishplaats: camping Probsteizella. Wieder geschafft!

Dag 6: Probsteilzella > Affoldern (121 km)

Als ik de tent uit kom zie ik alleen maar mist. De eerste paar kilometers voeren langs de Werra, waar ik dus niets van zie. En ook omdat het waterkoud is, verlang ik toch echt naar de zon. Ik kom door het schattige dorpje Falken, waar ik bij een klein bakkertje energierijke broodjes koop. Hierna verlaat ik de Werra en sla linksaf. Bij Schnelmannshausen staat een mooie oude kerk tussen de vakwerkhuizen. Iets verderop in het dal breekt de zon definitief door; met al die mistflarden levert dat fraaie plaatjes op.

Ik steek via een smal weggetje af naar Ifta. Vanaf hier fiets ik over een leuke, autoluwe fietsroute westwaarts. Dit deel van Hessen is best pittoresk met al die schattige dorpjes met vakwerkhuizen. Met name Netra vind ik prachtig: het heeft een markante stadsvilla uit 1580, een oude kerk en een groot landhuis. Bij Wichmanshausen rijd ik op de bouwplaats tussen de pijlers voor een nieuwe (snel)weg door. Na Hoheneiche sla ik linksaf een ander dal in naar het westen.

Bij Burghofen let ik even niet op de route, en rij via een steil tractorpad honderd hoogtemeters voor niets naar een heuvelkam met jagershutten. Het levert wel een mooi uitzicht en wat afwisseling op. Na nog een klim daal ik af naar Spangenberg waar ik voor de supermarkt op een terras broodjes en koffie nuttig. Hierna volgt een doorsteek door een breder dal. Het drukke stukje autoweg om aan de andere kant van de A7 te geraken is vervelend, maar direct hierna keert de rust terug.

Op aanraden van Google Maps beland ik na Hesserode op een doodlopend pad in het bos. Na een paar honderd meter klunen tussen takken en door de modder, kom ik bij een enorme afgraving aan. Hmm… Gelukkig is de aanvoerweg naar beneden niet afgesloten, en kan ik mijn weg vervolgen. Helemaal veilig is het hier overigens niet: op een stukje autoweg waar ik denk dat fietsen is toegestaan raast een tegemoet rijdende automobilist met 100 km/u rakelings langs me. Ik heb een barok engeltje uit Dresden op mijn schouder…

De tijd begint weer eens te dringen. Ik fiets met een flink tempo langs de suikerbietenfabriek van Wabern naar Fritzlar. Fritzlar is een heel oud, strategisch gelegen stadje, waar Bonifatius in 723 aan de basis heeft gestaan van de huidige Sint Petruskerk. Vanwege de invallende duisternis wil ik eigenlijk stoppen, maar de hotels hier vind ik veel te duur. Dus ik ga weer verder: eerst over een wandelpad langs de Mühlengraben, en daarna over een superfijne fietsroute langs de Eder. Om 19.30 uur bereik ik de camping in Affoldern.

Dag 7: Affoldern > Schmallenberg (88 km)

Met een kletsnatte tent achterop de fiets begeef ik me naar de Edertalsperre. Deze stuwdam, gebouwd in de periode 1908-1914, werd in de nacht van 16 op 17 mei 1943 door de Britse luchtmacht vernietigd. Een vloedgolf spoelde door de vallei en richtte een enorme ravage aan. Nu kan ik me er maar weinig bij voorstellen. Als gevolg van aanhoudende droogte verliest het ‘meer’ jaarlijks twee miljard liter water. Ik zie nauwelijks water, en boten en aanlegsteigers liggen droog.

De deels onverharde weg langs het ‘stuwmeer’ gaat afwisselend op en neer. Na de Edersee stijg ik een paar honderd meter door een bos naar Buchenberg en Fürstenberg, daal ik over een jeep track door het bos naar Heimbach, en ga vanaf het dal weer omhoog, naar Rhadern. En daar weer omlaag… Daarna volgen een kilometer of tien door een licht glooiend landschap met dorpjes die de charme van Oost-Hessen ontberen. De eentonigheid ligt op de loer, en dus… zadelpijnalarm!

Vanaf Medelon klim ik door een rustige vallei over een deels onverhard fietspad geleidelijk naar Winterberg. Dit wintersportoord is ronduit foeilelijk. En wat hebben al die verveelde dagjesmensen hier in de herfst eigenlijk te zoeken? Toch is de omgeving van Winterberg best wel mooi. De afdaling gaat over een grotendeels onverharde fietsroute fraai door het bos en daarna parallel aan de grote weg naar Schmallenberg. Daar kom ik om 18.15 uur aan bij een prima hotel met beregezellig café/restaurant. Morgen naar Keulen!

Dag 8: Schmallenberg > Köln (131 km)

Op het menu staat de langste etappe van de vakantie. Ik rijd eerst tientallen kilometers door diverse valleien over of parallel aan grote wegen. Er is hier veel lintbebouwing en oude industrie en voortdurend hoor ik het geluid van auto’s. Fietsen in de dorpen en steden is een crime. Het rijke en innovatieve Duitsland loopt echt achter wat betreft het toepassen van slimme verkeersregeltechniek, en de aanduiding van fietspaden is vaak verwarrend. Dat Duitsers hun auto’s rustig op het fietspad parkeren maakt het er niet veiliger op.

In Olpe eet en drink ik wat in een Konditorei, en vervolg mijn weg westwaarts. Bij Hützemert duik ik de 724 meter lange, oude spoortunnel in. Ook hierna rijd ik nog hele stukken over oude spoorlijntracés, wat het fietsen door deze drukke dalen een stuk aangenamer maakt. In Overath sla ik rechtsaf en moet ik heel steil omhoog naar Heiligenhaus om vervolgens weer af te dalen. Bij Untereschbach hetzelfde liedje: steil omhoog en door het bos Königsforst Wildniswald weer naar beneden. Maar in elk geval kan ik even over rustiger wegen fietsen.

Uit het bos gekomen fiets ik onder de A4 door, sla linksaf en ga daarna alleen nog maar rechtdoor naar het centrum van Köln. Ik houd een straf tempo aan, want ik wil per sé vóór zonsondergang bij de spoorbrug zijn om een foto van de Dom te maken, en red dit ternauwernood. Ik vind een goede en betaalbare kamer in het Maternushaus. Mijn fiets stal ik in de ondergrondse parkeergarage, vlak bij een Parkplatz nur für Frauen. Ik trakteer mezelf op een hamburgermenu bij de Mac.

Dag 9: Köln > Roermond (107 km)

Vanuit Köln fiets ik een kilometer of twintig in een vrijwel rechte lijn over de Aachner Strasse naar het westen. Nog iets verder stuit ik op Hambach: de grootste bruinkoolmijn van RWE, waar zich tevens het laagste bovengrondse punt van Europa bevindt. Om deze mijn te realiseren moesten enkele dorpen verdwijnen en werd een groot bos gekapt. En de vernietiging van bos gaat nog steeds door. Elk jaar wordt dankzij ’s werelds grootste graafwielbaggers (225 meter lang en 96 meter hoog) maar liefst 40 miljoen ton bruinkool gedolven.

De mijn heeft ook een deel van de meest noordelijk gelegen Romeinse weg op het Europese vasteland opgeslokt. Die weg liep helemaal van Köln tot aan Boulogne-sur-Mer in Noordwest-Frankrijk. Vanaf Jülich, een halteplaats aan de Romeinse weg, fiets ik verder langs of in de buurt van de Rur (niet te verwarren met de rivier de Ruhr), die bij Roermond in de Maas stroomt. Het valt me op dat de herfst hier nog niet is ingetreden – hoe anders was dat in de hoger gelegen gebieden in het oosten van Duitsland. In Roermond pak ik de trein terug naar huis.

Statistieken

– Dag 1: Dresden > Geising (121 km; 1.790 hoogtemeters)
– Dag 2: Geising > Bozi Dar (106 km; 1.760 hm)
– Dag 3: Bozi Dar > Hof (103 km; 1.510 hm)
– Dag 4: Hof > Meyersgrund (119 km; 1.840 hm)
– Dag 5: Meyersgrund > Probsteilzella (104 km; 1.290 hm)
– Dag 6: Probsteilzella > Affoldern (121 km; 1.100 hm)
– Dag 7: Affoldern > Schmallenberg (88 km; 1.250 hm)
– Dag 8: Schmallenberg > Köln (131 km; 880 hm)
– Dag 9: Köln > Roermond (107 km; 320 hm)