Categorieën
2012 Frankrijk

Klimmen op Corsica

Dit is het verslag van onze fietstocht op Corsica in april 2012. De tocht voert langs de ruige westkust, over hooggelegen wegen en door diepe kloven. Vroeg in het seizoen zijn de besneeuwde toppen van de centrale bergketen steeds in zicht. Rudi en ik fietsen in een week ongeveer 650 kilometer en klimmen daarbij 11.600 meter.

Dag 1: Ajaccio > Porto (90 km)

Vanaf de camping in Ajaccio volgen we de brede en niet al te lastige D61 en later de D81 naar het noorden. Boven op de Bocca San Bastiano (400 m) zien we voor het eerst de besneeuwde toppen van de centrale bergketen die het eiland van noordwest naar zuidoost doorsnijdt. We slaan linksaf en bereiken via een smal weggetje de kust bij Pevani, waar de zee tegen de rotsen aan beukt. Bij Ancone lunchen we aan het zandstrand, waarop badgasten liggen te zonnebaden.

Tussen Sagone en Cargèse ligt heel mooi de Golfe de Sagone. We klimmen 500 meter door ongerepte heuvels naar de Bocca di San Martino waar we van een prachtig uitzicht naar het westen toe genieten. Piana is bijzonder mooi boven op een heuvel gelegen. De Golfe de Porto, besneeuwde bergen en niet te vergeten de steil uit de zee oprijzende rotsformaties genaamd Calanches: dit alles in één beeld en verlicht door de avondzon. In Porto vinden we een fijn plekje op de nagenoeg verlaten dorpscamping.

Dag 2: Porto > Calvi (83 km)

We vervolgen onze route noordwaarts over de D81. De weg is supermooi aangelegd: we klimmen met een constant percentage langs de kust, met af en toe diepe afgronden aan onze linkerzijde. We hebben lange tijd mooi uitzicht op de Golfe de Girolata met daarachter Scandola, een schiereiland dat steil uit de zee oprijst. Je kunt daar alleen te voet of met de boot komen. Bij de Col de Parmarella nemen we afscheid van dit mooie gebied en dalen we 400 meter af.

Vlak voor Galéria pakken we de D81 bis, een weg die tot de Bocca Bassa bar slecht is. Het landschap is nu een tijd lang wat saai. Dat verandert bij de Baie Nichiareto: tot aan Calvi zijn er weer mooie bergen en woeste kusten, mooi gelegen in de avondzon. In Calvi fietsen we eerst de citadel op, vanaf waar we op de besneeuwde toppen in het zuidoosten kunnen uitkijken. Na een snack strijken we neer op een stadscamping waar de aanwakkerende wind vrij spel heeft.

Dag 3: Calvi > St. Florent (108 km)

Na een paar kilometer over de drukke N197 gaan we verder op de D451. Deze weg gaat lange tijd vals plat omhoog richting de voet van heuvels, en eenmaal daar aangekomen ineens via enkele steile (10-15%) haarspeldbochten naar het strategisch gelegen Montemaggiore. Het uitzicht vanaf de D71 op Calvi, de dorpjes boven op de heuvels en de helderblauwe zee op de achtergrond is groots.

De weg blijft vanaf Cateri lang op ongeveer gelijke hoogte en voert door en langs kleine dorpjes die tegen de bergen lijken aangeplakt. Via de smalle D663 bereiken we Speloncato. Vanuit het dorp voert de D63 steil (8-13% met uitschieters richting de 20%) omhoog naar de Groce d’Olu (1.100 m). Het levert spectaculaire vergezichten op, van de vuurtoren achter Calvi helemaal tot aan de punt van Cap Corse.

Boven op de col bestellen we cola bij een restaurant. Ik vraag aan de gastheer of de track naar het noordoosten, die op onze kaart met ‘onderbroken streep’ staat aangegeven, te doen is, en hij antwoordt “Tout neuf!” Het blijkt in werkelijkheid een slechte jeep track, maar is met zijn 360 graden uitzicht wel de kers op de taart. Na 400 meter omlaag te zijn gestuiterd, gaan we een stukje over de D963 om vervolgens over de N197 verder naar het oosten af te dalen.

Na vijf kilometer over de N197 slaan we linksaf en bereiken Novella via een weg langs een spoorlijn. Wat volgt is een grandioze afdaling over een smalle, slingerende en recent geasfalteerde chemin communal naar het noorden, dwars door een groen en volstrekt verlaten gebied. We steken de N1197 over en bereiken in de schemering via de mooie Désert des Agriates het havenstadje St. Florent.

Dag 4: St. Florent > Francardo (72 km)

Midden in de nacht gaat het vanuit het westen erg hard waaien. Niet continu, maar met vlagen. Je hoort dan eerst een opwellend geluid, waarna harde rukwinden de nieuwe tent op de proef stellen. ’s Ochtends gaat de wind zelfs nog harder beuken en de bergen op de Cap Corse zijn gehuld in een onheilspellende lucht. Dat belooft niet veel goeds. We wilden eigenlijk een tour du Cap Corse doen, maar kiezen eieren voor ons geld en vertrekken naar het zuiden.

Via de piepkleine D238 gaan we naar Oletta. Hier uit de kust verbetert het weer zienderogen. We klimmen gestaag verder over de D38 naar de Col de Bigorno (885 m). Deze weg kent, zoals de meeste bergwegen op Corsica, een matig stijgingspercentage van 4 à 5%. Vóór ons ligt het kleine Lento te baden in het zonlicht. We komen er via enkele scherpe bochten tegen de steile hellingen. Het is hier erg mooi.

Dan pakken we de D105, die via Canavaggia naar Ponte Leccia loopt. Dit is een prachtige, hooggelegen weg, met continu uitzicht op de besneeuwde toppen van het centrale massief. Na een kilometer of twaalf dalen we af over een fraai aangelegde serie haarspeldbochten. Na een tijdje over de brede N193 zuidwaarts te hebben gereden, houden we het bij de natuurcamping van Francardo voor gezien.

Dag 5: Francardo > Corte (100 km)

Vanaf Francardo is het slechts drie kwartier fietsen naar Corte. Maar wij nemen vandaag een omweg. Nu we toch hier zijn, willen we namelijk de Col de Vergio meepakken, de hoogste doorgaande pas van het eiland. Na een paar kilometer begint de Scala di Santa Regina, een steeds nauwer wordende kloof met aan weerszijden ruige bergen, met in het midden de bergbeek Le Gelo.

Bij het stuwmeer aangekomen zitten we op een bankje voor het supermarktje te lunchen als opeens drie koeien over de straat en tussen de auto’s door lopen. Op Corsica zijn loslopende koeien en wilde zwijnen op de weg heel normaal. Wat betreft de pas die hierna volgt: Rudi is er enthousiast over, maar mij kan deze niet echt bekoren. Niet de twintig kilometer vals plat naar de pashoogte, en ook niet de brede weg vanaf het ieniemienie skioord.

Vanaf de Col de Vergio (1.477 m) gaan we dus snel terug langs de barrage en door de Regina-kloof, en slaan bij Ponte Costirla rechtsaf naar Corte. Na 300 meter klimmen hebben we een magnifiek uitzicht op de achter Corte oprijzende bergen. De avondzon werpt een bijzonder licht op de weiden en boomgaarden. Corte zelf is een leuke oude studentenstad met een burcht boven op een rotspiek. Na enig zoeken en klimmen vinden we een mooie camping ten noordwesten van de stad.

Dag 6: Corte > Tattone (60 km)

Op het ochtendprogramma staat de ‘sterattractie’ Valle de Restonica. Dit blijkt een prachtige weg: gevarieerd, met veel bochten, door bossen, en met steile bergen om ons heen en besneeuwde toppen in de verte. Het eerste deel tot aan de brug kent een matig stijgingspercentage (5 à 10%), terwijl het tweede deel smaller en veel steiler (9 à 15%) is.

Vanaf het eindpunt (1.382 m) fietsen we terug naar Corte en om daarna verder zuidwaarts te gaan. Helaas moeten we hele stukken over de brede en drukke N193, al kunnen we bij Botro en Santo-Pietro-di-Venaco stukjes afsnijden (en daardoor flink wat hoogtemeters bijschrijven). Na een lange afdaling naar Pont du Vecchio volgt een klim naar Vivario waar automobilisten erg hard rijden. We mogen niet op Camping du Soleil bij Tattone staan, omdat deze pas een paar dagen later open gaat. We zoeken ons heil daarom een stukje verderop, op een verlaten camping naast de spoorlijn.

Dag 7: Tattone > Capitoro (117 km)

Vanaf de verlaten camping fietsen we gelijk 15 à 20% naar de N193, en vanaf daar door naar de Col de Sorba (1.250 m). Deze weg is best aardig aangelegd met de haarspeldbochten in het bovenste deel, alleen is het jammer dat puinbrekers de volledige pasweg een paar meter breder maken. Terwijl Rudi vandaag intervaltraining verricht sukkel ik voort. Eigenlijk heb ik altijd wel wat te klagen: is het geen zadelpijn of kramp, dan heb ik wel jeuk in mijn ogen. En vandaag is het de hitte.

In Ghisoni is geen winkel te bekennen, dus we eten een sandwich bij een of andere bar. De eigenaar vraagt waar we vandaan komen. Bij het horen van “Nederland” roept hij gelijk “Johnny Rep, captain de FC Bastia!” Ik ken Johnny Rep niet, en heb niets met voetbal… Hierna volgt de Col de Verde (1.289 m). Deze is een stuk saaier aangelegd dan de vorige en ook valt er weinig van de omgeving te genieten. We dalen dan ook snel af naar Cozzaro, waar we de D757 naar Grosseto pakken. Dit is best een aardige weg, behalve het laatste, brede stuk naar de Col de Granace (865 m).

In de beoogde finishplaats Grossetto blijkt er geen camping te zijn, en het is al 18.50 uur. We besluiten daarom nog 35 kilometer verder te fietsen naar een camping aan de kust. We gaan via Albitreccia naar de Bosca d’Aja di Bastiano. Vooral de laatste zeven kilometer van de D55 zijn supermooi. Daarna slaan we rechtsaf en rijden we over D302 verder richting Ajaccio. Dit is de ultieme afdaling: continu 5% en veel bochten. Vlak bij ons eindpunt hebben we net voor zonsondergang een prachtig uitzicht op de Golfe d’Ajaccio.

Dag 8: Capitoro > Ajaccio (25 km)

Op deze laatste dag is het zweten geblazen. Het is 32 °C in de schaduw en het is volkomen windstil. We hadden eigenlijk nog een flinke rondrit willen maken, maar de puf ontbreekt. We maken er daarom een rustdag van, en lezen en drinken een hoop. Halverwege de middag gaan we via een kleine omweg door een verder oninteressante omgeving naar de camping in Ajaccio. Het is tijd om terug te vliegen.

Statistieken

– Dag 1: Ajaccio > Porto (90 km; 1.544 hoogtemeters)
– Dag 2: Porto > Calvi (83 km; 1.050 hm)
– Dag 3: Calvi > St. Florent (108 km; 2.022 hm)
– Dag 4: St. Florent > Francardo (72 km; 1.311 hm)
– Dag 5: Francardo > Corte (100km; 1.643 hm)
– Dag 6: Corte > Tattone (60 km; 1.784 hm)
– Dag 7: Tattone > Capitoro (117 km; 1.924 hm)
– Dag 8: Capitoro > Ajaccio (25 km; 350 hm)

Categorieën
2008 Frankrijk Italië Zwitserland

De Alpen #3

Dit is het verslag van de Tour de Nivolet: mijn fietstocht in 2008 in het drielandengebied van Zwitserland, Frankrijk en Italië. Deze reis levert naast negen cols een interessante off-road detour op. Ik fiets in zeven dagen tijd zo’n 600 kilometer en stijg daarbij 12.700 meter.

Proloog

Als kind zag ik het Nationale Park Gran Paradiso op de landkaart: al die kleine dalen leidend naar de trots van Italië. En een heel hoge pas, de Colle del Nivolet, met maar aan één kant een weg geschikt voor autoverkeer. Daar moest ik ooit nog eens naar toe. Vorig jaar keek ik op de kaart of ik een leuk rondje in de Alpen kon maken en googelde op “Nivolet”. Wat bleek: ene Jerry Nilson uit Zweden was over deze pas gefietst. Dit maakte mij nieuwsgierig, en toen ik hem mailde kreeg ik als antwoord:

“Hi Willem,

(…) it would be easy to just go right soon after the Refugio-shop where the asphalt ends and simply walk down the path along the little stream. You will probably not be able to cycle more than 200-300 m or so down this vague track, which soon turns into paths. I think you get over on the right side of the stream and try not get too far off from it – many confusing paths down there – but as long as you seem to go in a somewhat straight line ahead it should take you down to the cross and the serpentine path down to Pont. The serpentine path is wide and good, but I still managed to fall headlessly down the steep side (no good with cycling shoes). The walking takes you three hours at normal speed without stopping down to Pon, a bit longer than one would suspect looking at the maps and even while being there, but it is some way down. If you have heavy packaging it might take a bit longer. Hope you will have nice weather and a nice trip!

Jerry Nilson”

Deze kans om de Nivolet over te gaan liet ik natuurlijk niet liggen…

Dag 1: Martigny > St Gervais-les-Bains (80 km)

Gisteren heb ik voor het eerst sinds Interrail ’92 weer eens een nachttrein gepakt. Niet heel erg goedkoop, maar wel comfortabel. Vanaf het meer van Geneve zit ik in een wagon met een stuk of twaalf Japanse toeristen die werkelijk van elke zucht en scheet een foto maken. De conducteur vertelt me voor de vorm dat het complete treinstel eigenlijk gereserveerd is door de groep, maar doet verder niet moeilijk over mijn aanwezigheid. We kletsen gezellig over zijn mooie huis bij Montey.

Ik fiets om 11.15 uur uit Martigny weg. Na een paar kilometer moet ik rechtsaf de Col de la Forclaz op: een niet erg spectaculaire weg die in het begin tussen de wijnranken is gelegen. Naar de pashoogte is het weliswaar slechts één kilometer klimmen, maar wel dertien kilometer lang 8% gemiddeld. Vooral door de temperatuur –30 °C in de schaduw– wordt het een zware beproeving. Van het begin tot het einde is er nauwelijks schaduw en ondanks mijn zonnebril en pet krijg ik al snel barstende koppijn. Net als op baaldagen tijdens eerdere Alpenfietsvakanties neem ik me voor dat dit de laatste maal is dat ik hier voor mijn plezier met fietstassen ga fietsen.

Boven gekomen (1.526 m) trakteer ik mijzelf op een cola. Daarna daal ik af naar Frankrijk waar ik een klein stukje moet klimmen naar de Col des Montets wacht. Het is hier eigenlijk best mooi: niet zo aangeharkt als in Zwitserland. Bovenop de col (1.461 m) zie ik in de verte een slagroomtoef: dat moet de Mont Blanc zijn! De afdaling is mooi, met aan de linkerzijde het imposante Mont Blanc massief met al zijn steile bergkammen en gletsjers.

Argentières en vooral Chamonix zijn vreselijke oorden met veel Amerikaanse toeristen. Na Chamonix begint een vierbaans autoweg die overgaat in een snelweg. Gelukkig vind ik een bordje ‘fietsroute’ en volg een secundaire weg. Fraai! Anderhalf uur lang volg ik kleine weggetjes tegen berghellingen op, en maak zo onbedoeld een paar honderd hoogtemeters meer dan gepland. Door de zon voel ik mijn hamstrings trekken; ik rij op een gegeven moment zo langzaam dat ik word ingehaald door een wegskiër. Ik hoop maar dat niemand mij verder ziet…

Gelukkig is daar eindelijk de weg naar St Gervais-les-Bains. De beklimming naar de camping, zo’n drie kilometer na het wintersportoord, is makkelijk. De aardige campingmevrouw vertelt me dat het erg warm is voor deze wat hoger gelegen regio, overdag tussen de 30 en 35 °C. Nadat ik instant bami heb gegeten heb nog net even tijd om vleermuizen te kijken voordat het helemaal donker is.

Dag 2: St Gervais-les-Bains > Bourg-St Maurice (96 km)

St Gervais is een aardige plaats en doet wat mondain aan. Het een paar honderd meer hoger gelegen Mégève is echter een zielloos skidorp met als enige positief aspect de grote supermarkt waar ik mijn ontbijt haal. De rit vanaf Mégève zag er op de kaart mooi uit, zo langs een rivier, maar blijkt in werkelijkheid vrij saai. Ik ben dan ook blij als ik linksaf kan, de weg naar de Col de Saisies op. Ik moet hier gelijk flink stijgen. Landschappelijk valt er weinig te genieten op deze weg: alles in dit dal is gericht op skiën. Zelfs boven op de berg (1.650 m) zijn skipistes, sleepliften, een restaurant en andere attracties. De Franse skigebiedplanologen kennen geen grenzen.

Genoeg getreurd, want met de afdaling met uitzicht op de Mont Blanc begint een veel mooier stuk van Frankrijk. Beneden in het gezellige Beaufort lunch ik op de stoep van de mini-Casino. Daarna start de beklimming van de Cormet de Roselend. De eerste kilometers gaan door het bos en zijn lekker koel. Maar hierna is er steeds minder schaduw en het wordt wederom 30 °C. Door al het zweten heb ik een enorme aantrekkingskracht op vervelende vliegen, die constant rond mijn hoofd zoemen. Op een gegeven moment ga ik een heuvelrug over en bereik ik een hooggelegen dal met stuwmeer. Het is hier prachtig! Ik heb hier een mooi uitzicht op de bergen rondom, zonder het commerciële van sommige andere passen. Na een cola moet ik nog bijna 400 meter klimmen tot aan de pashoogte (1.926 m).

De afdaling aan de oostzijde van de Roselend is fantastisch. Op een gegeven moment zie ik links heel mooi de zuidkant van het MonBlanc-massief, maar ik heb helaas geen tijd meer voor uitstapjes. Ik fiets snel door een soort kloof met haarspeldbochten. Uiteindelijk bereik ik pas om 19.40 uur Bourg St Maurice. De winkels zijn net dicht, dus haal ik maar vette hap bij de McDonald’s. Op de camping aangekomen ontmoet ik een Zwitsers echtpaar van ongeveer 50 jaar oud dat bepakt en al Alpencols fietst. Ik ben onder de indruk! Ik kom verder deze vakantie nauwelijks vakantiefietsers tegen, maar helaas wel vele honderden motorrijders.

Dag 3: Bourg St Maurice > Lanslebourg (82 km)

Nadat ik boodschappen heb gedaan bij de Intermarché, vertrek ik om 09.00 uur richting de Col d’Iseran. De klim verloopt in vier delen: eerst een soort aanloop met vals plat, vervolgens vijftien kilometer 5 à 9% klimmen, daarna door het skidorp Val d’Isere en tot slot weer een heel stuk 5 à 9% klimmen. Niet al te zwaar dus. De vallei is mooi, vooral de rechterzijde waar de witte Mont Pourri (3.779 m) majestueus boven de beboste hellingen en weiden uitsteekt.

Het wordt echter lelijk zodra de skistations opdoemen. Rondom Tignes, een paar kilometer naar het westen, met skiliften duidelijk zichtbaar op hoge bergkammen. Het hypocriete van Frankrijk is dat de grenzen van nationale parken precies om deze veel te hoge liften heen lopen. Bouw dan de boel maar helemaal vol. Met die gedachte rijd ik Val d’Isere binnen, hetgeen inderdaad letterlijk volgebouwd is met hotels, bar/restaurants en skiliften. Een paar kilometer voor de top gaat het motregenen en volgt er en hagelbui met op de achtergrond gedonder. Op de top aangekomen (2.764 m) is het alweer droog. Ik wil een topfoto maken, maar de twee Duitsers die zojuist met hun oude Landrover zijn aangekomen poseren in alle standen, en staan in de weg. Ze hebben het verdiend, zullen we maar zeggen.

De zuidzijde is stukken ruiger en mooier, en skiliften ontbreken. Wel gaat het na Bonneval sur Arc onweren: links van me spookt het gigantisch, terwijl op de bergen rechts van me de zon volop schijnt, heel bijzonder. Ik moet in dit langgerekte dal flink doortrappen. In Lanslebourg vind ik een aardige, kleine camping waar ik voor 6,50 euro kan staan. Vanwege de vele muggen en vliegen moet ik de hele avond noodgedwongen in de tent blijven. Ik constateer dat mijn benen en neus ondanks insmeren met factor 25 flink zijn verbrand.

Dag 4: Lanslebourg > Viú (103 km)

Als ik wakker wordt doet mijn linker heup zeer en sta ik van pure ellende al om 07.00 uur op. Ik voel me net bejaard. Zeker verkeerd gelegen vannacht. In de supermarkt verkopen ze geen brood. Gelukkig heb ik nog een restje van gisteren en heb ik al noodles achter mijn kiezen. De beklimming van de Mont Cenis is niet al te lastig en eigenlijk vrij saai: een serie langgerekte haarspeldbochten met af en toe plukjes schaduw. Bovenop de col (2.084 m) verandert het landschap. Aan de overzijde van het stuwmeer zijn prachtige bergen te zien met nog veel sneeuw op de flanken.

De afdaling is tot in de Valle di Susa prettig: Italiaanse bergwegen volgen veel meer dan in Zwitserland of Frankrijk de contouren van de berg. Dus geen saaie rechte stukken met ruime haarspeldbochten meer, maar juist wegen die langs de bergwanden slingeren met na elke bocht weer een verassing. Halverwege de afdaling is de weg volkomen opengebroken, maar ik weet de fiets over de grote betonblokken heen te tillen.

Het lager gelegen dal van Susa naar Torino biedt weinig schaduw en is heet. Ik volg de S24, een brede doorgaande weg, die dankzij de aanwezigheid van een snelweg en de siëstatijd vrij rustig is. Daarna volgt alweer een wegafsluiting: nu hebben ze een complete brug over een woeste bergbeek weggehaald. Dan ga ik dus maar dwars door een weiland voor een alternatieve oversteek. Net voordat de boer er met zijn koeien arriveert, duw ik de fiets onder het schrikdraad door.

Van de beklimming van de Col del Lys heb ik al een paar nachten wakker gelegen. Het hoogteprofiel dat ik van internet had geplukt geeft onder andere drie kilometer lang 15% gemiddeld aan. Met dat vooruitzicht, 32 °C in de schaduw en het water bijna op begin ik slechtgemutst aan de beklimming. Na de eerste paar bochten door een soort villawijk zie ik tot mijn verrassing een overdekte waterbron waar ik de bidons kan vullen. Ik fiets al veel blijer door het bos en drink nog een grote cola op een terras voor 1,50 euro.

Gaandeweg kom ik erachter dat van het meegebrachte hoogteprofiel niets klopt. De weg is slechts redelijk steil, zo tussen de 5 en 10%. Dat hoogteprofiel is vast gebaseerd op een alternatieve MTB-track. Volgens de landkaart moet het hier in de omgeving mooi zijn, maar door alle bomen zie ik daar helaas niets van. Een kilometer voor de top gaat het regenen en hagelen. De temperatuur daalt 15 °C. Bovengekomen (1.311 m) duik ik snel een café in en trakteer ik mijzelf op nóg een cola. Zodra het stopt met regenen stap ik weer op de fiets. De prachtige weg loopt langs de flanken van de hoge heuvels en door gehuchten naar beneden.

In Viú haal ik boodschappen en meld ik me bij de camping. Die blijkt er één voor stacaravans, maar ik mag op een schuin mollenveld staan. Het regent en zonder andere camping in de buurt rest mij niets dan hier te blijven. Als de jongen van de camping me voor één nacht 12 euro exclusief douchemunt in rekening brengt, ontplof ik. Hij biedt meteen 10 euro aan en ik accepteer dat maar. Na een ijskoude douche (die munt deed het niet) ren ik snel door de regen naar mijn tentje, waar ik een lekker maaltje ga koken.

Dag 5: Viú > Prese / Ceresole (89 km)

Ik ga vanochtend eerst naar de gezellige dorpswinkel van Viú: een hete ruimte vol vliegen en etenswaren. Het winkelmeisje werkt keihard om de grote toeloop klanten bij te kunnen houden. Na een kwartier ben ik aan de beurt en sta snel en geheel opgewarmd weer buiten met brood. De weg naar Lanzo kronkelt zich langs heuvelwanden stroomafwaarts. Lanzo is een aardig plaatsje, met in het centrum een winkelstraat op een langgerekte heuvel, en kleine, soms overdekte steegjes en trappen. Perugia in het klein, zullen we maar zeggen.

Later kom ik bij Corio, waar ik het brood opeet op een pittoresk kerkplein. In een volgend dorpje vraag ik een chauffeur de weg naar Rivara. De jongedame wijst me de juiste richting, en blijft tot mijn verrassing met haar auto kilometers lang vlak voor me rijden tot een splitsing waar Rivara op een bord staat aangegeven. Deze ‘service excellence’ vormt een bevestiging van de behulpzaamheid en hartelijkheid van veel Italianen.

Vanaf Rivara maakt de hitte – ik noteer alweer 30 °C – het fietsen weer zwaar. Er is weinig schaduw, maar gelukkig ook weinig verkeer op de uitstekende weg. Ik fiets Valle di Locana in, de zuidelijke toegangspoort van het Parco Nazionale del Gran Paradiso, en waar geen skigebieden zijn. De Gran Paradiso (4.061 m), de hoogste geheel op Italiaans grondgebied gelegen berg, is vandaag helaas in de wolken gehuld. Een kleine 20 kilometer verderop in het dal trakteer ik mijzelf in Locana (613 m) op een cola en eet ik mijn tweede broodje met jam.

Dan volgt een klim van tien kilometer naar het 400 meter hoger gelegen Noasca. Tijd voor een nóg een cola. Vlak na Noasca volgen vijf zeer steile (tot 15%) haarspeldbochten, maar deze ‘intervaltraining’ lijkt me toch beter af te gaan dan kilometers lang vals plat, zoals eerder vandaag in het dal. Er volgt een drieënhalve kilometer lange tunnel, gemiddeld 5-8%, met halverwege een kilometer lang 10-15%. Dit gaat ook prima, al was het maar doordat het zo lekker fris is hier. Vandaag houd ik echt van tunnels!

De tunnel uitgekomen zie ik een enorme grijze stapelwolk voor me en op hetzelfde moment een afslag links naar een camping. Tijd dus om te stoppen. Deze camping kan ik iedereen aanraden die een rustige plek wil op een vlak veld en genoegen neemt met koud water. Je hebt hier een fantastisch uitzicht op het Levanna-massief op de grens met Frankrijk, waarachter overigens de Col d’Iseran ligt.

Dag 6: Prese > Aosta (74 km)

De Colle del Nivolet is een aanrader! De klim voert eerst naar Ceresole, dat aan het begin van een lang stuwmeer is gelegen. Er zijn hier maar weinig hotels, maar wel zes (!) campings, waarvan er twee vol staan met de legertenten van de scouting. Ik eet mijn ontbijt op een fijne plek aan het einde van het meer. Ik zie nergens (ski)liften. In plaats daarvan staan langs de weg omhoog grote borden met de mededeling dat de pasweg hartje zomer gesloten is voor gemotoriseerd verkeer om zo wandelaars en fietsers de ruimte te geven.

Vanaf het meer fiets ik in acht kilometer zo’n 600 meter omhoog naar een kleiner stuwmeer. En daarna nog eens 400 meter hoger tegen een steile wand op naar de top. De niet al te steile weg is smal en gevarieerd, met vaak een mooi uitzicht op de afgelegde route. Het is alleen jammer van de vele handtastelijke rotvliegen, die alleen even weg zijn als de wind ze wegblaast – voor een paar seconden.

Bovenop de col (2.612 m) ontbreekt een pasbord. Hoe kan ik nu bewijzen dat ik hier ben geweest… Een kilometer verder naar het noorden neem ik een cola en banaan, en vertrek ik met uitzicht op de Gran Paradiso richting Aosta. Wandelaars kijken verbaasd hoe ik hier op een ongeveerde fiets met fietstassen het wandelpad op fiets. Ik weet wel beter: Jerry Nilson’s e-mail heeft mij ervan overtuigd dat je over wandelpaadjes naar beneden kunt fietsen. Hij deed het in drie uur, dus dan kan ik het ook.

Het eerste stuk gaat boven verwachting soepel. Ik fiets door een hooggelegen dal waar een beek door het gras meandert. Het wandelpad blijft grotendeels aan de oostoever. Vaak moet ik wandelen, maar soms kan ik ook een paar honderd meter fietsen. Ik begrijp niet waarom die Nilson er zo lang over deed – dit is echt makkelijk! Ik raak in euforische stemming, en stel me voor dat ik op een geluksschaal van 1 tot 10 een 10 scoor.

Dan verschijnen wat manshoge rotsblokken waar ik overheen moet klauteren. Geen probleem. Maar dan nog één… en nog één… en zo gaat het een tijdje door. Het stikt hier van de grote keien, schuine rotsplaten en modder. Hmmm… dit is geen pretje met zo’n zwaarbeladen fiets. Maar ik houd moed, want volgens de informatie die ik van Jerry heb loopt er vanaf een kruis een eenvoudig pad omlaag naar Pont.

Ik heb er meer dan anderhalf uur voor nodig om dat kruis te bereiken. Maar dan begint de ellende pas goed. Ik tuur in de diepte en zie dat een geitenpaadje zich 300 meter diep naar beneden zigzagt. Op dit moment besef ik dat Jerry misschien wel op een cross- of racefiets was met een klein rugzakje ofzo… De komende twee uur wurm ik mijzelf, mijn fiets en 20 kilo bagage over en tussen grote rotsblokken naar beneden. De remmen, die ik stevig samenknijp (behalve als ik de fiets til), krijgen het behoorlijk te verduren. Geregeld krijg ik het linkerpedaal in mijn rechterhiel, maar gelukkig val ik nergens.

Ik ben zo O N T Z E T T E N D boos dat ik een wat oudere dame lang voor blijf, maar uiteindelijk moet ik haar voor laten gaan. Haar metgezel verklaart me voor gek: volgens hem is het onmogelijk om met zo’n fiets de berg af te dalen. Ja duh, wat ben ik dan aan het doen?! Als ik door de bomen het dorpje Pont zie, begint het te regenen en hoor ik de eerste donderslagen. Uiteindelijk blijkt dat ik er vanaf de Colle del Nivolet drieënhalf uur over heb gedaan, en dat valt me dan nog mee.

Ik trek mijn regenpak aan en vertrek meteen naar Aosta – hopelijk blijf ik de onweersbui voor. Wishful thinking… Het gaat zó hard regenen dat ik bijna niets meer zie. Remmen gaat lastig, zeker nu het constant inknijpen van de remmen (tijdens de afdaling over het wandelpad vanaf het kruis) de remblokjes geen goed heeft gedaan. Gelukkig bereik ik na een paar kilometer een jeugdherberg met een afdak, waar ik een tijdje schuil. Het geschreeuw van de bambino’s binnen komt boven het lawaai van de regen en de bergbeek uit.

Na twintig minuten ben ik verkleumd en fiets ik weer verder. En net op dat moment begint het weer keihard te regenen. Maar nú ga ik toch echt door, zelfs al staat de weg soms blank van het water. Ondanks dichtgeknepen ogen zie ik nog wel dat dit een mooi en ongerept dal is, dat kilometers lang slechts ruimte biedt voor een woeste bergbeek en de kronkelende weg waarover ik rijd.

Ten slotte bereik ik eindelijk het zonnige en brede Valle d’Aosta. Via de grote weg ben ik in mum van tijd in de oude stadskern van Aosta. Ik eet een toeristenmenu bij Ristorante-Pizzeria “Moderno”. Het voorgerecht, een simpele pesto pasta, gaat er goed in. Maar het hoofdgerecht, een volstrekt smakeloos en gortdroog stuk kip, is waardeloos. Gelukkig is het ijstoetje wel lekker. De camping blijkt een stukje hoger aan de weg naar de St Bernard te liggen en biedt uitzicht op Aosta (600 m). Ik drink drie bekers thee, luister naar het onweer dat inmiddels ver weg is, en duik mijn slaapzak in. Wat een dag!

Dag 7: Aosta > Martigny (78 km)

Het ontbijt bestaat uit een liter melk; brood moet ik ergens onderweg scoren. Terwijl ik nog door de buitenwijken van Aosta rijd, zie ik een lifter met een ingeklapte vouwfiets langs de weg staan. Ik roep: “Come on, cycle with me to Switzerland!” Enkele minuten later verschijnt hij opeens naast me! Hij heet Ingo, is Duitser, werkt in Algerije en is gisteravond met het vliegtuig naar Milaan gekomen om vervolgens via de Grote St Bernard naar Zwitserland te liften. Aan de andere kant van de tunnel heeft hij met een vriend afgesproken om te gaan rotsklimmen. Ingo fietst kilometerslang met me op, erg knap zo met die kleine wieltjes en een oude weekendtas achterop. Nadat we 300 meter hoger zijn gekomen stopt hij en gaat weer liften.

De pasweg is niet steil, en daardoor fiets ik eigenlijk wat te snel. Ik moet dat bekopen met bijna-kramp in mijn linkerbeen. Vanaf Étroubles (1.264 m), waar ik brood en chocola kan kopen, besluit ik in het lichtste verzet verder te fietsen, want ik heb geen zin in kramp met 1.200 meter klimmen voor de boeg. Bij de splitsing tussen tunnelroute en de pasweg gaat het regenen. Jammer van de laaghangende bewolking, maar het is zo wel fijner fietsen dan afgelopen week met die hoge temperaturen. Het meeste verkeer raast over een andere, overdekte weg die naar de ingang van de tunnel leidt. Men is de oude, rustige pasweg integraal aan het renoveren. Het is een komen en gaan van bulldozers, graafmachines en werkmannen.

Na dik vijfenhalf uur fietsen ben ik eindelijk boven (2.469 m). Het regent en het kwik duikt onder de 10 °C. Zoals gebruikelijk op Alpenpassen zijn ook hier Duitse Motorfahrer die na hun riesen Leistung foto’s van elkaar maken. Toll! Wat voor mij resteert is een lange afdaling. Het bovenste stuk is vrij steil en bevat nog haarspeldbochten, maar verder kan ik zonder bijtrappen of -remmen vele, vele kilometers op mijn gemak 50 kilometer per uur rijden. In Martigny douche ik op de lokale camping en neem ik extra vroeg de trein naar Basel, alwaar ik ’s avonds de nachttrein naar Nederland pak.

Categorieën
2004 Frankrijk Italië

De Alpen #1

Dit is het verslag van mijn fietstocht in juni 2004 rond de grens van Frankrijk en Italië. Met als hoogtepunten enkele hoge cols (Agnel, Bonette) en een paar onbekende passen (Fauniera, Sampeyre). Ik sta ook oog in oog met het standbeeld van Marco Pantani. In zes dagen leg ik 315 kilometer af en stijg daarbij 8.700 hoogtemeters.

Dag 1: Guillestre > Sampeyre (78 km)

Gisteren kwam ik eind van de middag aan in Guillestre. Het was 34 °C toen ik de tent opzette. Vandaag is het half bewolkt en een stuk frisser. Ik krijg het voor elkaar om al na een paar honderd meter de ketting eraf te rijden. Wat een begin! Met vieze handen rij ik door de kloof naar Queyras. Het Parc de Queyras is een van die rustpunten in het woud van grote Franse skigebieden. Het is hier naar verhouding ruig en primitief. Op een gegeven moment kom ik bij een afslag en denk: ben ik hier niet eerder geweest (1993)? en sla rechtsaf. Na een paar steile kilometers begin ik te twijfelen, en kom erachter dat ik de doodlopende weg naar Ceillac genomen heb. Dom dom dom… Ik keer om en ga nu wel de juiste kant op.

Na Chateau Queyras pak ik de D205 naar de Col d’Agnel. Ik neem wat sportdrank en stukjes Isostar tot me. Een collega van me zei dat ik daar vast beter zou gaan klimmen. Maar als ik eerlijk ben voelt het helemaal niet goed in mijn maag… Ik zie al snel de hoogste berg in de wijde omtrek opdoemen: de Monte Viso (3.841 m). Het is nu nog twintig kilometer en 1.350 meter stijgen. Het landschap is heel weids en verlaten. Maar wat is deze pas zwaar zeg. Met name het laatste stuk is slopend: je hebt dan al 1.200 meter geklommen en krijgt dan als toetje zes kilometer land 8,5% gemiddeld voor de kiezen. En dan die Isostar-rommel erbij: ik voel me hondsberoerd en moet overgeven. Dat spul hoef ik nooit meer.

Ik bereik nu de laatste bochten. Het weer was al niet best, maar nu begint het zowaar te sneeuwen. Volkomen eenzaam en niet geheel fit fiets ik hier op bijna 2.750 m hoogte. De afdaling moet grandioos zijn, maar ik zie er niet veel van. En van fietsen komt het jammer genoeg nauwelijks. Doordat ik mijn handschoenen niet bij mij heb, krijg ik zulke koude handen dat ik niet kan remmen. De eerste kilometers moet ik noodgedwongen lopen. Ik ben dan ook blij als ik uiteindelijk in Sampeyre aan kom. Daar kan ik de camping niet vinden, en omdat ik er niet veel voor voel om in de regen te gaan wildkamperen, zoek ik een goedkoop hotelletje. Dat biedt als voordeel dat ik alles kan laten drogen en vanaf mijn bed het WK Voetbal kan kijken.

Dag 2: Sampeyre > Ponte Marmora (32 km)

De dag van gisteren is me niet in de kouwe kleren gaan zitten. Ik start de dag misselijk en futloos, en heb geen zin om te gaan fietsen. Op het programma staat de Colle di Sampeyre: meer dan vijftien kilometer continu rond de 8,6% klimmen. Ter vergelijking: dat is een half procent steiler dan de klassieke oostelijke beklimming van de Stelvio. Maar die klim is een stuk indrukwekkender! Want de smalle weg vanuit Sampeyre gaat voor een groot deel door het bos en bevat geen bijzonderheden. Pas helemaal bovenop realiseer ik me hoe mooi het uitzicht achter me is: de Col d’Agnel naast de majestueuze Monte Viso.

De zuidzijde van de pas is gevarieerder. Na een paar kilometer over de smalle weg te hebben gereden, kan ik kiezen tussen Stroppo of Elva. Ik kies Elva. Dit dal blijkt een soort schlucht. De bergbeek laat maar weinig ruimte voor de smalle, uitgehakte weg. De tunneltjes door de opeenvolgende, tandachtige bergkammen zien er niet al te stevig uit. De spectaculaire afdaling is zo steil dat ik binnen enkele minuten beneden ben. Daar bots ik als het ware op de camping. Die blijkt echter nog niet geopend. Iemand treft voorbereidingen voor het komende seizoen, en ik mag van hem water tappen in het sanitairgebouw dat die avond wel op slot gaat. Deze nacht sta ik moederziel alleen op het veldje.

Dag 3: Ponte Marmora > Demonte (46 km)

Vandaag is de tocht waarvoor ik naar dit gebied ben gekomen. Mijn interesse was gewekt zodra ik erachter kwam dat de pasweg naar de Colle del Fauniera (of Colle dei Morti) recent was geasfalteerd, zodat de Giro d’Italia er over heen kon, maar de weg desondanks niet op de Michelin-kaart stond. (Sowieso is dat een besef dat je als fietser in West-Europa ooit krijgt: dat de heilige Michelin-kaart echt niet alle mooie weggetjes bevat.) Daar moest ik dus naar toe!

De beklimming bestaat uit drie gedeelten: eerst door een wat nauwere vallei langs de bergbeek Marmora en via een aantal bochten door bewoond gebied. Dan een lang steil stuk door de steeds bredere vallei naar de Colle d’Esischie (2.370 m). Hier zit een stuk in van meer dan vijf kilometer 8,7% gemiddeld met flinke uitschieters in sommige bochten. Tot slot het gebied aan de andere zijde van de Esischie richting de Colle del Fauniera, een omgeving die in tegenstelling tot het lieflijke, groene Marmoradal heel rotsig en ruig is.

Als ik bij de Fauniera aan kom, zie ik tot mijn verbazing een levensgroot standbeeld van Marco Pantani, die kort daarvoor is overleden aan een overdosis drugs. Ik bevind me nu op een lang gestrekte bergkam waar allerhande smalle, al dan niet geasfalteerde wegen lopen. Waarschijnlijk zij deze ooit aangelegd vanwege de Italiaans-Franse grensschermutselingen. Volgens mij kun je in dit gebied eindeloos fietsen, en ik moet hier zeker nog eens terugkomen. Het wordt inmiddels steeds bewolkter en er komt onweer aan. Ik duik omlaag over de steile weg door de verlaten vallei en zoek een veilig heenkomen.

Dag 4: Demonte > St Etienne de Tinee (67 km)

Op deze druilerige dag staat de Colle della Lombarda (2.350 m) op het programma. Ik ben nog steeds niet hersteld van het Isostar-debacle op de Agnel. De energie wil maar niet komen. Dan maar rustig gaan peddelen. Dat is lastig als je in het beginstuk zeven kilometer lang 8,8% moet rijden. (De Italiaanse passen zijn echt een tandje zwaarder dan de Franse en zeker pittiger dan in Zwitserland.) Het tweede deel van de beklimming is gelukkig eenvoudig. De pashoogte zelf kan me niet bekoren, dus ik ga snel naar beneden. Deze afdaling gaat langs Isola 2000, een ronduit vreselijk skioord met lelijke bebouwing en veel liften. Dat heeft één voordeel: de brede weg naar Isola leent zich goed om van af te dalen.

Beneden gekomen kom ik op de weg van Nice naar de Bonette. Het is vanaf hier nog vijftien kilometer vals plat naar Saint Etienne de Tinee. De camping hier is op buitensporters ingesteld. Ik krijg van de campingbaas alvast een Col de la Bonette-sticker (“La plus haute route d’Europe”) voor op mijn fiets. Naast mij zit een man voor een piepklein tentje. Hij blijkt een heel aardige Tukker van middelbare leeftijd die uit pure woede over zijn ontslag heeft besloten de 100 Colstocht te gaan rijden. We eten samen in het gezellige dorp. Hij rijdt veel meer kilometers en hoogtemeters per dag dan ik. Ik besef nu pas dat ik het deze vakantie wel heel rustig aan doe…

Dag 5: St Etienne de Tinee > Chatelard (55 km)

Als ik opsta is mijn buurman al vertrokken. De Tukker doet vandaag de Bonette en de Vars, terwijl ik het bij één pas houd. Mijn maag voelt eindelijk weer goed. Ik vier dat met een stokbrood met roomkaas en een liter volle melk als ontbijt. Ik fiets een eindje op met een Duitser die gisteren uit Nice is vertrokken en de komende dagen naar Frankfurt fietst. Hij fietst voor het eerst in de bergen, is vrij stevig van postuur en moet na enkele kilometers lossen. Ik hoop maar dat hij boven komt.

De pasweg verloopt in drie secties: eerst een eenvoudige aanloop door het lang gestrekte dal (5%), dan vijf kilometer bochtenwerk tegen de bergwand op (8,4%) en dan nog tien kilometer minder dan 7% naar de pashoogte. Vanaf het bochtenwerk wordt de pas interessant. Net als je je afvraagt waar de weg daar boven aan die bergwand toch heen gaat, zie je in de verte een lange rechte streep naar een ‘suikerberg’ lopen: het stukje naar de col. Ik vind het hier heel mooi. Ik fiets zo lekker dat ik niet door heb dat het maar 5 °C is, en fiets in een shirt met korte mouwen.

Vanaf de Col de Restefond leidt de weg om een iets hogere bergtop langs naar de Cime de la Bonette (2.802 m). Helaas lukt het me niet om dit stukje helemaal in het zadel te blijven; er liggen op een gegeven moment teveel stenen en sneeuw. Ik moet dus een stukje lopen. Hierboven heb ik een fantastisch uitzicht over de Maritieme Alpen, die opvallen door hun bruine kleur (vanwege erosie). De noordzijde is heel anders, een stuk steiler ook. In Jausiers geniet ik van een verlate lunch en sla rechtsaf naar Chatelard, waar de winderige camping is.

Dag 6: Chatelard > Guillestre (40 km)

Vandaag ga ik naar de Col de Vars (2.108 m). (Met de kennis van nu had ik de deels ongeasfalteerde Col du Parpaillon moeten hebben proberen. Maar in 2004 wist ik nog niet van het bestaan van deze hoge pas.) De pasweg is landschappelijk middelmatig aardig en op een enkel stuk van 10% na niet lastig. Ik sta al snel boven, en trakteer mijzelf op een cola. Tijdens de afdaling geniet ik van een prachtig uitzicht op de Ecrins. Ik bereik de camping in Guillestre, waar ik een frisse douche neem. Helaas, het zit er weer op – de terugreis naar Nederland begint.

Categorieën
2003 Frankrijk

De Cevennen

Voor het eerst ga ik alleen een weekje op fietsvakantie. Mijn keuze is gevallen op de Cevennen: het gebied in Zuid-Frankrijk met de hoge, droge plateaus en diepe valleien, dat er op de Michelin-kaart zo aanlokkelijk uitziet. In vijf dagen leg ik zo’n 350 kilometer af en stijg ik bijna 7.500 meter.

Dag 1: Florac > Le Rozier (67 km)

Gisteren kwam ik na 1.070 kilometer autorijden in Florac aan. Ik laat de auto op de mooie camping en start met fietsen in het gebied van de Tarn. Vanuit Florac moet ik gelijk steil de berg op naar de Causse Mejean (vijf haarspeldbochten, 450 hoogtemeters en gemiddeld 8%). Vanaf dit plateau kan ik heel ver kijken. Het waait echter ook keihard, en daarom besluit ik snel weer naar de Tarn te gaan. Via een bloedmooie afdaling – met continu haarspeldbochten in de smalle weg en superieur uitzicht op de kloof – arriveer ik razendsnel in Castelbouc. Daar staan de huizen tegen de rotswand aan geplakt. Daarna fiets ik 43 kilometer lang door de kloof van de Tarn. Ik kijk mijn ogen uit en merk die afstand nauwelijks.

In Sainte-Enimie lunch ik op een smalle brug. Ik zie Nederlanders passeren op vouwfietsen – waanzin in deze heuvelachtige omgeving. Weer in het zadel ga ik naar Saint Chély, dat fraai is gelegen aan de overkant van de rivier. Daarna volgen de tunnels elkaar op, en wordt het dal een stuk nauwer. Bij Malène ligt aan de linkerzijde een mooie, in de rotsen uitgehakte weg naar het plateau. Ik twijfel even, maar besluit dat één steile klim wel voldoende is voor vandaag. Ik volg daarom braaf de kloof en fiets tussen hoge rotswanden en rotspieken door. Boven me hoor ik opeens stemmen: het blijken twee mannen die 150 meter boven mij aan het klimmen zijn. Hierna volgen nog twaalf kilometers voordat ik op de camping in Le Rozier arriveer. Daar is de Franse campingbazin erg nors. Bienvenue a France!

Dag 2: Le Rozier > Dourbies (64 km)

Na het ontbijten in het mooi gelegen Peyreleau ga ik zuidwaarts. Om op de Causse Noir te geraken moet ik eerst 400 meter klimmen. Na enige tijd sla ik af om een speciale rotspartij te bezichtigen: de Chaos de Montpeiller le Vieux. Daar aangekomen blijk ik 8 euro te moeten betalen voor de laatste kilometer. Dat gaat mij echt te ver – laat dat wonder der natuur maar zitten. Ik keer terug naar de hoofdweg en ga over een smalle grindweg naar beneden, naar La Roque Sainte Marguerite. Het lijkt soms of ik wolvengehuil hoor. Beneden in het dal voert de weg langs de meanderende Dourbie naar het zuidoosten. Saint Veran is een kleine 150 meter hoger op rotsen gebouwd. Heel bijzonder! Het iets verderop gelegen Cantobre mag er ook wezen: eveneens boven de rivier boven op een rots. Hier sla ik linksaf naar de Gorges de Trevezel.

Ik fiets door een van de mooiste dalen waar ik ooit ben geweest. Het is een echte canyon met ‘tafelbergen’ aan weerszijden. Heel groen, zeer verlaten. Bij Trèves lunch ik op het dorpsplein met de dorpshond aan mijn voeten. Dan ga ik verder zuidwaarts. Ik klim 250 meter naar de Col de la Pierre Plantée. Bovenop de kam aangekomen heb ik een verrassend mooi uitzicht op het dal van de Dourbie, die hier veel smaller is dan waar ik vanmorgen fietste. In de verte, zo’n 50 meter hoger, zie ik de te grote kerk van Dourbies al opdoemen. Daar aangekomen zoek ik de camping. Die vind ik uiteindelijk, maar blijkt wel gesloten. Tentje opzetten dus. Helaas is de kraan afgesloten. De miniwinkel van het dorp is eigenlijk gesloten, maar de eigenaar laat me toch binnen. Even koken en dan eten op de wankele brug over de rivier, met uitzicht op stroomversnellingen die door Bob Ross geschilderd lijken. Een fijne afsluiting van een indrukwekkende dag.

Dag 3: Dourbies > Le Vigan (66 km)

De épicerie is op woensdag altijd gesloten, maar ik mag toch gewoon weer naar binnen. Na mij komt het halve dorp brood halen, dus zo bijzonder ben ik niet. Of toch wel, want de winkelier nodigt me uit voor een bak koffie in de bar op de eerste verdieping. Da’s toch aardig. Hij vertelt dat er momenteel 25 mensen in het dorp wonen. Volgens mij zijn er dan meer huizen dan bewoners, en dan die veel te grote kerk! Ik ga mijn fiets op en verder omhoog door het dal van de Dourbie. Het landschap, de donkere wolken en de wind doen erg Brits aan.

Ik wil vandaag naar de top van de Cévennes: de Mont Aigoual (1.567 m). Volgens de folders is deze met 2.200 mm per jaar de ‘watertoren van Frankrijk’ en ook en berucht vanwege de hard wind die er kan waaien. En dit komt vandaag allemaal uit. Na enkele kilometers over de inmiddels tien meter brede weg steekt we plots een stormachtige wind op. Wolkflarden razen in een noodvaart boven de bomen naast de weg. Wat is dit? Een tegenligger toetert naar me. Nog iets verder is er alleen maar mist en toch veel wind. Bizar. Dan stopt een auto vlak voor me. De chauffeuse zegt tegen me “C’est très dangereux pour le vélo. Vent forte. Le sommet est invisible.” Shit. Het is nu al lastig om overeind te blijven, en hoe moet het dan bovenop de top zijn? Om van een berg te waaien zonder dat iemand dat ziet is een beetje sneu. Als ik dan toch ooit voortijdig het leven verlaat, laat me dat dan tenminste met een mooi uitzicht doen.

Met nog maar twee kilometer tot aan de top besluit ik om niet verder te gaan. Ik daal af naar het dal van Dourbie, ga over de eenvoudige Col de Minier (1.264 m) en fiets vervolgens door de regen naar Le Vigan. Dat blijkt een echt provinciestadje, met jeu de boules spelende ouwe knarren en verveelde jongeren. Daar vind ik een mooie en behoorlijk lege camping; het toeristenseizoen moet natuurlijk nog beginnen. Als de man van de receptie vraagt waar ik vandaan kom zeg ik “Le Mont Aigoual”. “Bad choice” is zijn antwoord. Daar is alles wel mee gezegd. Tent opzetten, koken en dan in de slaapzak om deze off-day snel te vergeten.

Dag 4: Le Vigan > Capou (80 km)

Na de teleurstelling van gisteren kan ik de confrontatie met de Mont Aigoual niet aan en fiets ik er eerst met een grote boog omheen. Eerst naar het oosten en dan naar het noorden. Het doel van de dag is de Corniche. Het eerste stuk – over de D999 en dan een lokale weg naar Sumène – is best wel saai. Gelukkig voelen de benen goed en overwin ik de zeer steile 200 meter hoogteverschil met gemak. Vanaf Sumène kronkelt de D20 zich langs de rivier de Rieufort noordwaarts. Saint Martial is een mooi gelegen stadje te midden van de beboste heuvels. Vanaf daar ga ik de Col de la Triballe op (612 m). Vanaf deze col fiets ik langs hoge heuvelwanden naar een nog hogere col in de verte. Dit is waarschijnlijk wel het mooiste stukje van de vakantie: eenzaam en rustig peddelend over een smalle weg met grootse uitzichten en een lekker zonnetje. De D152, waarover ik vanaf de Col de l’Asclier (905 m) naar beneden ga, is smal en slecht (of helemaal niet?) onderhouden. Op sommige plekken groeit het gras op het asfalt. Mooi toch? Jammer dat deze afdaling zo snel voorbij is.

Beneden fiets ik een tijdje langs een brede weg met hard rijdende auto’s en motoren. Na Saumare volgt een fraaie beklimming omhoog, de Corniche op. Deze beroemde weg loopt van Saint Jean du Gard naar Florac, en is aangelegd tijdens het bewind van Lodewijk XIV. Door een weg niet door het dal maar over de lang gestrekte heuvelrug aan te leggen, konden zijn troepen zich snel en zonder veel gevaar verplaatsen. En konden ze de protestanten in deze regio snel uitmoorden. Ik krijg inmiddels last van een forse hongerklop. In Saint Roma meld ik me bij een restaurant dat eigenlijk niet open is. De waard is gelukkig vriendelijk en ik krijg brood met ‘cold meat’ op het terras.

Weer terug op de fiets heb ik gemengde gevoelens over de Corniche: enerzijds zijn de uitzichten magnifiek (ik zie bijvoorbeeld de Mont Ventoux ver achter mij liggen, en de Mont Aiguoal is ook al de hele dag wolkenvrij), maar de weg zelf is breed, vals plat en supersaai. Ik ben dan ook blij als ik na het hoogste punt (840 m) bij Pompidou weer naar beneden kan. Beneden in het dal aangekomen blijken beide campings bij Saint André gesloten en fiets ik weer helemaal terug naar Saumare. Bij Capou vind ik een goedkope camping. Vandaag heb ik bijna 1.500 meter geklommen.

Dag 5: Capou > Florac (72 km)

Ik ben een groot liefhebber van uitslapen, ook tijdens fietsvakanties. Maar vandaag ben ik voor de verandering eens vroeg uit de veren: de Mont Aigoual staat namelijk op het menu. Ik fiets vals plat omhoog naar Saint Andre de Valborgne en eet daar een stokbroodje. Dan sla ik linksaf de heuvel op. Mooie weg die D19, en een flinke klim ook. Bijna boven gekomen sla ik weer linksaf een heel smal weggetje in richting de Col Salidés (1.014 m). Hier heb ik een fraai uitzicht op de Noordoostelijke Cevennes. Dan duik ik een kilometer naar beneden om vervolgens weer tweeënhalve kilometer 8% gemiddeld te klimmen. Het dal waar ik nu door fiets staat vol met brem die in bloei staat. In Cabillac (1.194 m) aangekomen pak ik de ‘snelweg’ naar de Mont Aigoual, die ik dankzij het mooie weer ditmaal wél goed kan zien. Het is niet echt een ‘top’ ofzo; slechts een stukje hoger dan de rest. De eerste vier kilometer rijd ik 6 tot 7%; daarna wordt het een veel makkelijker. Op de top (1.567 m) staat het vol met touringcars en andere gemotoriseerde voertuigen – ik ben de enige fietser. Het uitzicht is mooi, en ik geloof de boekjes waarin staat dat je op een heldere dag de Alpen, De Pyreneeën en Marseille kunt zien liggen maar al te graag, maar verder stelt het niet veel voor. Ik ga dus weer afdalen. Na Abrillac sla ik van de brede D18 af naar de Gorges du Tapoul door een mooi dal, over een smalle weg, en met flinke snelheid. Na Rousses wordt de weg weer breder en bereik ik de Tarnon – niet te verwarren met de Tarn waar deze rivier in uitmondt. Na tien kilometer bereik ik Florac, de eindbestemming van mijn vijfdaagse fietsvakantie. Ik ben zeer tevreden: in deze prachtige omgeving zijn ontzettend veel mogelijkheden om te fietsen, en ik heb er nog maar een klein stukje van gezien. Ik kom hier zeker nog eens terug!