Categorieën
2010 Italië Oostenrijk

De Alpen #4

Ter voorbereiding op de Marmotte in de Franse Alpen fiets ik in juni 2010 over diverse bergpassen in Oostenrijk en Italië. Er zijn hoogtepunten (Klammljoch, uitzichten op Dolomieten, enthousiaste Italiaanse wielrenners, dertien toppen) en dieptepunten (motorrijders, zweetvliegen). In negen dagen tijd leg ik 800 kilometer af en stijg daarbij zo’n 16.000 hoogtemeters.

Dag 1: Innsbruck > Wald im Pinzgau (108 km)

Ik reis met de nachttrein naar München en vanaf daar pak ik de supertrage Regiobahn naar Innsbruck. Het uitzicht in Beieren voorspelt niet veel goeds: laaghangende bewolking en motregen. Tegen twaalven kom ik Innsbruck aan. Ik moet daar even zoeken waar de Innradweg naar het oosten loopt. Gelukkig wijst een aardige man, die twintig jaar geleden van Oostenrijk naar Sicilië heeft gefietst, de weg. Bij Wiesing sla ik rechtsaf, het Zillertal in. Ik hoef hier niet de hele tijd over de drukke doorgaande weg te gaan, maar kan ik grotendeels over dorpswegen en landweggetjes richting Zell am Ziller rijden. Het Zillertal is overigens niet mooi: overal zie ik familiehotels (met binnenzwembad en zelfs reuzenglijbaan buitenom) en andere grote chalets voor de wintersport. Het is hier heel erg commercieel.

Het stuk van Zell am Ziller naar de Gerlospass is breed en supersaai. Eerst moet ik 400 meter 7 à 8% klimmen, gevolgd door een stuk vals plat naar Gerlos, en daarna weer 8% omhoog naar een skigebied. Het wordt nu erg bewolkt. Het motiveert niet echt dat ik niks van de omgeving kan zien. Vanaf 1.300 m ligt er al sneeuw. Boven op de pas (1.620 m) is het slechts 3 °C en regent het. Na een achttien kilometer lange, ijskoude afdaling zie ik een camping aan mijn linkerzijde. Bibberend arriveer ik bij de receptie. De vriendelijke campingmevrouw moet hartelijk lachen om het hoopje ellende dat voor haar staat. Eerst ga ik maar even douchen en opwarmen. Het begint al te schemeren als ik met een bord vol spaghetti in mijn nieuwe tentje zit. Die tent, een Hubba Hubba HP 1, is tweemaal zo klein als wat ik gewend ben, een beetje claustro dus.

Dag 2: Wald im Pinzgau > Lienz (92 km)

Vandaag fiets ik eerst een kilometer of vijftig over de Tauernradweg naar Bruck. Daar kan ik volgens mijn planning de Hochalpenstrasse nemen. Ik heb lange tijd naar deze col uitgezien: met veertien kilometer lang tegen 10% gemiddeld is dit één van Europa’s moeilijkste paswegen, en lastiger dan bijvoorbeeld de Tourmalet, Stelvio, Galibier of Timmelsjoch. Vandaag is het zwaar bewolkt en er ligt al vanaf een meter of 1.400 sneeuw. Ik denk eerlijk gezegd dat het daarboven sneeuwt en dat de pas gesloten is. Maar zelfs al is de pas open, heb ik er geen zin in om urenlang in de vrieskou te fietsen, gevolgd door een lange afdaling met verkleumde vingers.

Kortom, ik fiets lekker verder door het dal om een eind verderop de trein naar het zuiden te nemen. En dat pakt best aardig uit. De Tauernradweg gaat vanaf Bruck over kleine landweggetjes, heel gevarieerd en soms erg steil. En ik pak zo toch nog wat hoogtemeters mee, want alhoewel ik vandaag met de stroom mee fiets, stijg ik toch meer dan 600 meter. Waar ik tot nog toe door een breed dal heb gefietst, komen de bergwanden nu dicht bij elkaar. Bundesstrasse, de lokale weg, de spoorbaan en de rivier wurmen zich door het nauwe dal. Beneden in de diepte zie ik groepjes raften.

In Schwarzbach aangekomen zoek ik op het station informatie over de treinreis naar het zuiden. Maar er hangt geen overzichtskaart en loketten zijn gesloten. Wat onhandig zeg! Ik koop een kaartje naar Lienz via Spittal, en verruil het slechte weer aan de noordzijde van het Tauerngebergte voor het prachtige weer aan de andere kant. Op de camping in Lienz kom ik geld tekort voor een kampeerplek, maar de aardige dame vindt dat geen probleem. Op de camping bevindt zich een gerenoveerd landhuis met daaronder super-de-luxe sanitairvoorzieningen met in Duits gecoverde Sky Radio muziek tijdens het douchen.

Dag 3: Lienz > San Lorenzo di Sebato (82 km)

Overal in Europa zijn Nederlandse pensionado’s met de caravan op pad. Zo ook hier in Lienz. De meesten staan er ietwat verveeld op de camping. Koppels hebben elkaar niets meer te vertellen, en de sleur wordt slechts doorbroken door tergend langzame wandelingetjes naar het toiletblok. Best triest als je erover nadenkt. Als je er dan als fietser met je piepkleine tentje tussen gaat staan komen de mannen (de vrouwen blijven in de caravan) spontaan voor een praatje langs. Da’s dan wel weer gezellig. En zie daar: we blijken een gemeenschappelijke kennis te hebben, want Nederland blijft natuurlijk een klein land.

Goed, van Lienz ga ik over een prima aangelegd fietspad langs de Bundesstrasse 108 naar het noordwesten. Er staat een keiharde tegenwind. Bij een fraaie ruïne is een stel aan het hooien met zeisen. De man vertelt dat het altijd zo hard waait als het aan de noordzijde van de Tauern regent. Ik kan het beamen, want ik fietste er gisteren nog. Bij Huben sla ik linksaf, het Defereggental in. Het is gelijk flink aanpoten met gemiddeld 10% in de eerste paar kilometer, daarna regelmatig stukken steil omhoog in tunnels en galerijen, en vanaf Mariahilf ook weer 12%, overigens afgewisseld met lange stukken vals plat. Gelukkig heb ik vanaf nu wind in de rug. Het dal is verder niet echt spectaculair.

Bij Erlsbach zijn de bidons leeg en tap ik water bij een local. Ik pols of de pas die ik in de planning heb, de onverharde Klammjoch, eigenlijk wel met de fiets te doen is. Hij antwoordt na lang nadenken bevestigend, dus ik waag het erop. Vlak daarna vervolg ik niet langer de doorgaande weg naar de Stallersattel (2.052 m), maar ga ik rechtsaf richting de hogere Klammljoch. De weg is gedurende enkele kilometers behoorlijk steil, gemiddeld 10-20%. Zodra ik me afvraag of de Klammljoch wel zo’n goede beslissing was, komt er een kleine tractor achterop met de vriendelijke man van wie ik net water kreeg. Hij zegt dat hij iets moet wegbrengen, wenst me veel succes en haalt me in. De weg wordt nu onverhard, maar is goed te doen. Bij Oberhaus is een café met terras, en daar tuurt de man met de tractor of ik eraan kom. Wat attent! Ik zet hem op de foto en ik zet mijn fietstocht voort.

De weg wordt nu wat minder van kwaliteit, maar ik om geen enkel moment echt in de problemen. Hier is alleen lokaal verkeer toegestaan, en afgezien van een dozijn wandelaars, een paar mountainbikers en een enkele automobilist, kom ik een paar uur lang niemand tegen. Vanaf nu is het dal bijzonder mooi: echt een aanrader! Er zijn veel groene almen en er ligt verse sneeuw op de bergflanken. De weg gaat langs de berghelling steeds hoger, en de col zie ik pas de laatste paar kilometers is. Uiteindelijk ben ik pas om 18.00 uur boven op de verlaten Klammljoch (2.288 m). Ik geniet hier van een prachtig uitzicht op de bergen en dreigende wolken in het avondlicht aan de Italiaanse zijde.

Naar beneden is de gravelweg, met vele haarspeldbochten, verrassend goed van kwaliteit, alleen word ik helemaal gek van de goten die ze om de dertig meter hebben ingegraven. Bij het fraai gelegen Knutten-Alm bereik ik het asfalt weer. Na Rein in Taufers stort ik mij in een zeer steile afdaling langs de woeste bergbeek; de beklimming van de Klammljoch is aan deze zijde zeker geen eitje. Vanaf Campo naar Bruneck fiets ik voornamelijk vals plat omlaag tussen het drukke verkeer. In Bruneck zelf zie ik geen camping, maar gelukkig biedt Google op de telefoon uitkomst, en vind in het nabijgelegen San Lorenzo wel een kampeerplek. Wederom eet ik mijn maal in het halfdonker.

Dag 4: San Lorenzo di Sebato > Cortina (94 km)

Na een bezoek aan de megagrote Spar van Bruneck fiets ik door het oude centrum naar het oosten op zoek naar de fietsroute. Die blijkt uitstekend aangelegd, en gaat deels onverhard langs de rivier, en deels over smalle landbouwweggetjes. Zodra ik vanaf Prags naar de Platzwiesen fiets, doen ‘zweetvliegen’ een aanval op mijn tot dan toe prima humeur. Het is warm en windstil, en als die kleine krengen dan een mens ruiken die langzaam en zwetend voorbij fietst, slaan ze genadeloos toe. Tientallen vliegen proberen een plekje op mijn lijf te bemachtigen, en de rest blijft om me heen zwermen. Als ik achterom kijk, zie ik er nog veel meer. Vanaf vijftien kilometer per uur kan ik ze voor blijven, maar pas vanaf 20 kilometer per uur haken ze af. En zo snel fietsen is best wel een uitdaging als je bergop rijdt.

Vanaf Brücken zijn de laatste zes kilometers tot Platzwiesen alleen voor bussen en fietsers toegestaan. De laatste anderhalve kilometer tot de top is echt retesteil. Eenmaal boven op de Platzwiesen (2.040 m) is het uitzicht op markante Dolomietentoppen machtig mooi! Ik drink nog even een grote cola bij een bergrestaurant en begin dan aan de afdaling over een overwegend slechte weg. Ik stuiter van de berg en krijg kramp in mijn handen van het remmen.

Vanaf Schluderbach (1.430 m) ga ik over een brede weg verder naar Misurina en fiets het Italiaanssprekende van de regio deel binnen. De 300 meter hoogteverschil overbrug ik vrij gemakkelijk, al voel ik af en toe krampjes in mijn linker bovenbeen opkomen. Het zat wel van de zenuwen komen, want zo begint de loodzware beklimming naar Tre Cime: zeven kilometer lang, waarvan tweederde tussen de 10 en 15% gemiddeld. Normaal is dit al vrij lastig, maar met 1.700 meter klimmen in de benen helemaal. Aan de voet van deze klim stal ik mijn voor- en achtertassen bij een huis en ga rustig peddelend op weg. Het is een mooi aangelegde tolweg, met veel ruime haarspeldbochten, die soms wel extreem steil zijn (tot 20%). Bovengekomen (2.333 m) geniet ik van één van de mooiste uitzichten van de Alpen.

Dan weer naar beneden naar de Passo tre Croci. Vanaf hier is dat slechts 150 meter klimmen, maar erg soepel gaat het niet meer. Er volgt hierna een eenvoudige afdaling naar Cortina. In deze toeristische trekpleister is het lastig om de camping te vinden; de lokale hotellobby heeft klaarblijkelijk alle bordjes naar campings buiten het centrum weten te houden. Gelukkig vind ik op mijn telefoon dankzij Google de camping. Camping Rocchetta is een echt fijne locatie, met volop beschutting, veel tenten en weinig caravans, prettige muziek (blues, Bruce Springsteen) in het sanitairgebouw en een erg vriendelijke campingbaas. Ik kan tevreden zijn over deze dag: ik heb een mooie route met prachtige vergezichten gefietst en heb mijn fietsvakantiehoogtemeterdagrecord verbroken.

Dag 5: Cortina > Bellamonte (84 km)

Ik neem de drukke R48 naar het westen en rijd verder naar de afslag naar de Passo di Giau. Op de Michelinkaart is deze col aanlokkelijk smal ingetekend, maar in werkelijkheid is de weg breed. De pas is met 640 meter hoogteverschil in de laatste zeven en halve kilometer best steil. Helaas zie ik weinig van de omgeving tussen alle bomen. Dat is het nadeel van de relatief laaggelegen passen in de Dolomieten. Ik adviseer degenen die voor de weidse uitzichten gaan de hoge cols in de Franse Alpen.

Boven op de Passo di Giau (2.233 m) beland ik op een Sammelplatz voor de talrijke Duitse, Oostenrijkse en Italiaanse motorrijders. Ik zit een tijdje op een halfleeg terras te wachten, maar de bediening geeft vanmiddag niet thuis. Dan maar een keer zonder cola naar beneden. En wat een superafdaling is dit zeg! Tot aan Caprile tel ik meer dan 35 haarspeldbochten. Het stuk vals plat omlaag naar Cancenighe Agordino (773 m) blijkt lastig vanwege de keiharde zuidenwind. Ik krijg zelfs last van hongerklop en eet naast het mooie meer bij Alleghe mijn laatste broodjes op.

Ik haal een blik cola in een café en sla rechtsaf de weg in naar Falcade. Deze vallei is niet bijzonder, een enkele doorkijk naar een mooi zijdal daargelaten. Bij Cavida wordt de weg heel steil, evenals het stuk na Falcade. De weg naar de Passo di Valles moet ik eveneens behoorlijk klimmen, vrij constant tegen de 10%. Gecombineerd met de lange rechte stukken, het gebrek aan uitzicht en wind, en de nog steeds hoge temperatuur is het best afzien. Ik ben dan ook blij als ik boven op de Passo di Valles (2.033 m) arriveer. Moet ik nog melden dat ook hier geen spectaculaire uitzichten zijn? Anyway, ik zou volgens plan in de afdaling een détour naar de Passo di Rolle hebben willen inslaan, waar de weg langs één van de mooiste bergen (Pale di San Martino) van de Dolomieten voert. Maar het is inmiddels gewoonweg te laat om nog eens 300 meter onverhard te klimmen. Jammer. Ik daal snel af naar de mooi gelegen en van muggen vergeven camping van Bellamonte.

Dag 6: Bellamonte > Weissenbach (111 km)

Na het doen van boodschappen bij de lokale Coöp daal ik verder af naar Predazzo (1.018 m). Hier komt een man naar me toe, wijst naar de fiets en vraagt of het een auto is. Ik antwoord “Geen van beide, het is een tank.” Hij kan zich niet voorstellen dat ik met bepakking door de bergen trek. Vanaf Predazzo neem ik een uitstekend fietspad naar Moena, waar ik over de gewone weg verder ga. Een groepje hartelijke Italiaanse racefietsers uit Napels komt langszij en ik kan ze een tijdlang bijhouden.

Bij Pozza sla ik linksaf de Karerpass op. Dit is een supersaaie weg, met af en toe steile stukjes, maar al met al valt de klim reuze mee. Boven op de pas (1.745 m) staan vele hotels – het is hier een skigebied. Ik sla rechtsaf naar de Nigerpass (1.688 m). Daar zie ik prachtige bergwanden aan mijn rechthand (Rosengarten), terwijl er links af en toe fraaie vergezichten tot in de Oostenrijkse Alpen zijn. De afdaling van de Nigerpass is best heftig: het begint gelijk met 15%, halverwege in het dorp Tiers 20% en van Blumeau naar het hoofddal gaan de laatste 500 hoogtemeters er ook erg rap af.

In het dal van Brixen naar Bolzano wurmen rivier, snelweg, regionale weg, spoorbaan en fietspad zich door het af en toe behoorlijk smalle dal. Op een gegeven moment rijd ik door een 500 meter lange tunnel met daarin alleen het fietspad. In de buitenwijken van Bolzano staan en hangen vele kunstwerken van kinderen langs het fietspad. Waar ik minder vrolijk van word is de temperatuur: dik 30 °C. Ik haal in het pittoreske centrum van Bolzano liters vocht en een paar bananen bij de Spar. Vanaf de Rathausplatz ga ik over een smalle en bochtige weg naar het Valle Sarentina. De eerste helft van het langgestrekte dal is onbewoond en eigenaardig nauw, met veel netten op de rotswanden vanwege de steenslag. Ik tel gedurende de eerste tien kilometer maar liefst twintig tunnels – lekker koel met dit broeierige weer!

Na de laatste tunnel gaat het Valle Sarentina over in het weidse Val di Pennes. Overal halen de boeren het hooi van het land, blijkbaar is er onweer op komst. Gelukkig blijft het vandaag droog. Er is in het gehele dal geen camping te bekennen, en ik heb na dik 100 kilometer fietsen geen zin om te gaan wildkamperen. Daarom pak ik een goedkoop berghotel (type: vergane glorie) in Weissenbach (1.330 m) en kook op mijn kamer pasta en thee. Morgen maak ik de Penserjoch af.

Dag 7: Weissenbach > Salthaus (79 km)

De Penserjoch heeft een mooi hoogteprofiel: de weg wordt steiler naarmate je hoger komt. De eerste zes kilometer slechts 4% (lekker infietsen), daarna drie kilometer 7,5% (goed te doen). en tot slot vijf kilometer bijna 10% (oef!). De pasweg trekt lange, kaarsrechte strepen door de brede groene wanden, net zoals de Cime de la Bonette aan de zuidzijde. Echt storend zijn de talrijke motorrijders. De vroege vogels onder hen rijden rustig en genieten van het landschap, terwijl de uitslapers racen alsof ze aan een wedstrijd meedoen. Bovenop de Penserjoch (2.215 m) vertelt een lokale racefietser en ex-motorcoureur: “Vor allem die Österreichischer Motorfahrer sind schlimm”.

De afdaling is lang, bochtig en erg leuk. Ik fiets helaas lange tijd achter een slecht rijdende Italiaan in een BMW die bochten nogal scherp aansnijdt, en botst meerdere keren bijna tegen tegemoetkomend verkeer aan. Maar hij schijnt er niet van te leren: heeft het geheugen van een goudvis, en goudvissen kunnen zoals bekend niet rijden.

Hierna ga ik naar de Jaufenpass. Met gemiddeld 7,5% over vijftien kilometer is deze weg op papier niet zo lastig. Maar het wordt toch een klein drama. Het is hartstikke heet en er staat geen wind >>> zweetvliegentijd! Ik fiets een paar uur lang met een zwerm van die krengen op en om me heen. En er is niets dat ik ertegen kan doen. Ik krijg spontaan medelijden met de arme kindertjes in Afrika die er dagelijks last van hebben. De Jaufenpass voert tot bijna aan de top door het bos, dus er zijn geen mooie uitzichten om het leed te verzachten.

Boven op de Jaufenpass (2.099 m) haal ik een cola en geniet ik van het aan de andere kant veel mooiere uitzicht. De afdaling gaat lekker totdat ik een bord ‘Wlecht wegdek’ zie, en voordat ik het door heb, rijd ik in een gat en ligt mijn rechter voortas eraf. Omdat er een auto vlak achter me rijdt had dit heel slecht kunnen aflopen. Die vervloekte Ortliebtashaken ook, op IJsland was het ook al zo’n gedoe. Van de schrik bekomen vraag ik mij af waarom ze wel de moeite nemen om zo’n bord te plaatsen maar niet om de weg te herstellen. Mijn humeur verslechtert als ik op de camping in Saltaus (335 m) aankom: anders dan op de website een inspiratieloze serie van stroken gras en grindweg, met nauwelijks schaduw.

Dag 8: Salthaus > Umhausen (86 km)

Na de slechte ervaring met de hitte op de Jaufenpass lijkt het me beter de Timmelsjoch al vroeg op te gaan. Om 7.15 uur fiets ik weg en een uur later ontbijt ik in St. Leonhard. Vanaf het dorpje Moos begint de eigenlijke klim. Via een serie haarspeldbochten en steile stukken weg (soms 10 tot 15%) kom ik al snel een paar honderd meter hoger. Daarna gaat de weg gedurende vijf kilometer weer wat vlakker (7 tot 8%) en door een aantal tunneltjes noordwaarts. Het mooie dal onder me is vrijwel onbewoond. Helemaal in de verte kan ik de pashoogte al zien, maar om daar te komen moet ik nog wel meer dan vijftien kilometer fietsen. 

Regelmatig halen Italiaanse wielrenners me in, wijzen naar de fietstassen en roepen “Ciao” of zelfs “Complimenti”. Op een gegeven moment wil één wielrenner zelfs met mij op de foto. Ik vind dat zo leuk! Ze zijn zoveel hartelijker dan die norse Zwitsers en Oostenrijkers. Zo’n acht kilometer van de top buigt de hoofdweg naar links en wordt gelijk steil: 11% gedurende twee kilometer, en na een stukje vals plat nog eens drie kilometer lang 10% gemiddeld. De smalle weg heeft vele ‘echte’ haarspeldbochten, een beetje vergelijkbaar met de klassieke oostzijde van de Stelvio. Een dame op racefiets komt langszij (“Respect!”) en maakt een praatje. Vanaf de donkere en natte 500 meter lange tunnel bovenaan de rotswand gaat de weg verder naar de pashoogte (2.474 m) die precies op de grens met Oostenrijk ligt.

Ik ga meteen verder. Het eerste stuk van de afdaling gaat prima, maar dan voert de weg weer 150 meter omhoog naar Hochgurgl. Ik had in Sölden willen kamperen maar de camping in het vreselijke skidorp is flut. Sowieso vind ik het bovenste deel van het Ötztal één grote verschrikking met al die skidorpen, liften en wegen. Ik fiets verder door het veel mooiere middengedeelte van het dal. Dit gaat vals plat omlaag, maar ik schiet door de harde noordenwind nauwelijks op. Uiteindelijk zet ik 25 kilometer na Sölden mijn tent op de camping van Umhausen op. Na de rit van vandaag heb ik het verdiend om niet te hoeven koken, en bestel ik Wiener Schnitzel met friet en een groot glas bier.

Dag 9: Umhausen > Innsbruck (65 km)

En alwéér schijnt de zon als ik op de fiets stap. Even wat brood en drinken halen bij de lokale M-Preis en op naar het plaatsje Ötz. De pasweg naar Kühtai begint met 10% en voert met enkele bochten langs de bergwand omhoog. Daarna volgt de weg een bergbeek door een groen dal naar het oosten. Het is erg broeierig vandaag, en de enige verkoeling komt van de bergbeek. De helling is onregelmatig: soms 5% dan weer stukjes 10-13%. Halverwege de pas in Ochsengartenwald bestel ik een grote cola. Dat geeft de broodnodige energie; hierna hoef ik nauwelijks meer de stoppen. Zelfs een stuk van 800 meter tegen 15% gemiddeld fiets ik rustig door. Ze zijn bij dat steile stuk aan het werk, en ik zeg tegen de bouwvakkers dat ze hun werk niet goed doen want de weg is veel te steil. Het antwoord: “Doch, das ist für die Radfahrer zum trainieren.” Daar is geen speld tussen te krijgen. Na nóg een paar klimmetjes en een stuwmeertje bereik ik Kühtai (2.017 m).

Tot nog toe was het weinig spannende dal nauwelijks bewoond, op wat loslopende koeien en paarden na. Maar hierboven is er een ware explosie van bijzonder lelijke skihotels (type Frans skidorp) die de omgeving verpesten. Ik maak dus dat ik hier weg kom. In het dal van de Inn aangekomen is het nog een kilometer of tien fietsen naar Innsbruck. Eigenlijk wil ik douchen voordat ik de trein in stap, maar als ik in het plaatsje Völs aan de campingeigenaar (tevens eigenaar van een Porsche Cayenne) vraag of ik dat tegen betaling mag, weigert hij: “Es ist leider nicht möglich, nur fur Gäste die zwei, drei Tagen bleiben. Wir sind eine Familiencamping und haben in den letzten 50 Jahre noch niemand nur zu duschen gehabt. Est ist nichts persönliches. Gute Reise. Und viel Glück mit dem Holländischen Mannschaft” (WK Voetbal 2010). Wat een laffe manier om te zeggen dat-ie geen fietsers op zijn terrein wil. De klok tikt door en ik fiets daarom naar Innsbruck waar ik me op het stationstoilet een beetje opfris. Ik neem de boemel naar München en de nachttrein terug naar Nederland. Deze negendaagse fietsvakantie is een goede training voor de Marmotte geweest!

Statistieken

– Dag 1: Innsbruck > Wald im Pinzgau (108 km; 1.150 hoogmeters)
– Dag 2: Wald im Pinzgau > Lienz (92 km; 620 hm excl. trein)
– Dag 3: Lienz > San Lorenzo di Sebato (82 km; 1.785hm)
– Dag 4: San Lorenzo di Sebato > Cortina (94 km; 2.585 hm)
– Dag 5: Cortina > Bellamonte (84 km; 2.441 hm)
– Dag 6: Bellamonte > Weissenbach (111 km; 1.952 hm)
– Dag 7: Weissenbach > Salthaus (79 km; 2.013 hm)
– Dag 8: Salthaus > Umhausen (86 km; 2.200 hm)
– Dag 9: Umhausen > Innsbruck (65 km; 1.233 hm)

Epiloog

Nog maar net een dag thuis uit de Dolomieten rijd ik alweer met de auto naar de camping in Bourg-Oisons aan de voet van de Alpe d’Huez. Ik ben daar om de Marmotte te rijden, een wielerkoers van 176 kilometer met vier cols die samen goed zijn voor zo’n 5.000 hoogtemeters: de Glandon (1.924 m), Télégraphe (1.566 m), Galibier (2.642 m), en l’Alpe d’Huez (1.860 m). Ik train nog even op de Col de la Croix-de-Fer, en neem aansluitend een rustdag. Verdere training heeft na de fietsvakantie geen zin.

Op zaterdag 3 juli is het zover. Ik start iets voor 8.00 uur. De tocht zelf is mooi, maar met een temperatuur van meer dan 30 °C wel zwaar. Lange tijd gaat alles prima. Ik word weliswaar vaak ingehaald maar blijf ook veel anderen voor, zeker bij de steilere stukken. Pas bij de voet van L’Alpe d’Huez komt de man met de hamer. Achteraf gezien had ik minder moeten vertrouwen op de povere bevoorrading door de organisatie. Als ik zelf voldoende, goed verteerbaar eten had meegenomen, had ik mijn energie beter kunnen verdelen. De misselijkheid slaat toe en de pijp gaat echt helemaal leeg. Gedurende de laatste kilometers op de Alpe d’Huez neem ik mij stellig voor dat dit de enige en laatste keer is dat ik aan zoiets belachelijks mee doe. (Maar op de terugreis naar Nederland plan ik de Marmotte alvast in voor 2012.)

Met hangen en wurgen kom ik pas na twee uur boven aan in Alpe d’Huez, gelukkig zonder kramp, over te geven of te lopen. De totale rijtijd is tien uur en 40 minuten (netto tijd exclusief de afdaling van de Glandon), net tien minuten te weinig voor een zilveren medaille – maar ik heb het gehaald, en dat was mijn streven.

Categorieën
2008 Frankrijk Italië Zwitserland

De Alpen #3

Dit is het verslag van de Tour de Nivolet: mijn fietstocht in 2008 in het drielandengebied van Zwitserland, Frankrijk en Italië. Deze reis levert naast negen cols een interessante off-road detour op. Ik fiets in zeven dagen tijd zo’n 600 kilometer en stijg daarbij 12.700 meter.

Proloog

Als kind zag ik het Nationale Park Gran Paradiso op de landkaart: al die kleine dalen leidend naar de trots van Italië. En een heel hoge pas, de Colle del Nivolet, met maar aan één kant een weg geschikt voor autoverkeer. Daar moest ik ooit nog eens naar toe. Vorig jaar keek ik op de kaart of ik een leuk rondje in de Alpen kon maken en googelde op “Nivolet”. Wat bleek: ene Jerry Nilson uit Zweden was over deze pas gefietst. Dit maakte mij nieuwsgierig, en toen ik hem mailde kreeg ik als antwoord:

“Hi Willem,

(…) it would be easy to just go right soon after the Refugio-shop where the asphalt ends and simply walk down the path along the little stream. You will probably not be able to cycle more than 200-300 m or so down this vague track, which soon turns into paths. I think you get over on the right side of the stream and try not get too far off from it – many confusing paths down there – but as long as you seem to go in a somewhat straight line ahead it should take you down to the cross and the serpentine path down to Pont. The serpentine path is wide and good, but I still managed to fall headlessly down the steep side (no good with cycling shoes). The walking takes you three hours at normal speed without stopping down to Pon, a bit longer than one would suspect looking at the maps and even while being there, but it is some way down. If you have heavy packaging it might take a bit longer. Hope you will have nice weather and a nice trip!

Jerry Nilson”

Deze kans om de Nivolet over te gaan liet ik natuurlijk niet liggen…

Dag 1: Martigny > St Gervais-les-Bains (80 km)

Gisteren heb ik voor het eerst sinds Interrail ’92 weer eens een nachttrein gepakt. Niet heel erg goedkoop, maar wel comfortabel. Vanaf het meer van Geneve zit ik in een wagon met een stuk of twaalf Japanse toeristen die werkelijk van elke zucht en scheet een foto maken. De conducteur vertelt me voor de vorm dat het complete treinstel eigenlijk gereserveerd is door de groep, maar doet verder niet moeilijk over mijn aanwezigheid. We kletsen gezellig over zijn mooie huis bij Montey.

Ik fiets om 11.15 uur uit Martigny weg. Na een paar kilometer moet ik rechtsaf de Col de la Forclaz op: een niet erg spectaculaire weg die in het begin tussen de wijnranken is gelegen. Naar de pashoogte is het weliswaar slechts één kilometer klimmen, maar wel dertien kilometer lang 8% gemiddeld. Vooral door de temperatuur –30 °C in de schaduw– wordt het een zware beproeving. Van het begin tot het einde is er nauwelijks schaduw en ondanks mijn zonnebril en pet krijg ik al snel barstende koppijn. Net als op baaldagen tijdens eerdere Alpenfietsvakanties neem ik me voor dat dit de laatste maal is dat ik hier voor mijn plezier met fietstassen ga fietsen.

Boven gekomen (1.526 m) trakteer ik mijzelf op een cola. Daarna daal ik af naar Frankrijk waar ik een klein stukje moet klimmen naar de Col des Montets wacht. Het is hier eigenlijk best mooi: niet zo aangeharkt als in Zwitserland. Bovenop de col (1.461 m) zie ik in de verte een slagroomtoef: dat moet de Mont Blanc zijn! De afdaling is mooi, met aan de linkerzijde het imposante Mont Blanc massief met al zijn steile bergkammen en gletsjers.

Argentières en vooral Chamonix zijn vreselijke oorden met veel Amerikaanse toeristen. Na Chamonix begint een vierbaans autoweg die overgaat in een snelweg. Gelukkig vind ik een bordje ‘fietsroute’ en volg een secundaire weg. Fraai! Anderhalf uur lang volg ik kleine weggetjes tegen berghellingen op, en maak zo onbedoeld een paar honderd hoogtemeters meer dan gepland. Door de zon voel ik mijn hamstrings trekken; ik rij op een gegeven moment zo langzaam dat ik word ingehaald door een wegskiër. Ik hoop maar dat niemand mij verder ziet…

Gelukkig is daar eindelijk de weg naar St Gervais-les-Bains. De beklimming naar de camping, zo’n drie kilometer na het wintersportoord, is makkelijk. De aardige campingmevrouw vertelt me dat het erg warm is voor deze wat hoger gelegen regio, overdag tussen de 30 en 35 °C. Nadat ik instant bami heb gegeten heb nog net even tijd om vleermuizen te kijken voordat het helemaal donker is.

Dag 2: St Gervais-les-Bains > Bourg-St Maurice (96 km)

St Gervais is een aardige plaats en doet wat mondain aan. Het een paar honderd meer hoger gelegen Mégève is echter een zielloos skidorp met als enige positief aspect de grote supermarkt waar ik mijn ontbijt haal. De rit vanaf Mégève zag er op de kaart mooi uit, zo langs een rivier, maar blijkt in werkelijkheid vrij saai. Ik ben dan ook blij als ik linksaf kan, de weg naar de Col de Saisies op. Ik moet hier gelijk flink stijgen. Landschappelijk valt er weinig te genieten op deze weg: alles in dit dal is gericht op skiën. Zelfs boven op de berg (1.650 m) zijn skipistes, sleepliften, een restaurant en andere attracties. De Franse skigebiedplanologen kennen geen grenzen.

Genoeg getreurd, want met de afdaling met uitzicht op de Mont Blanc begint een veel mooier stuk van Frankrijk. Beneden in het gezellige Beaufort lunch ik op de stoep van de mini-Casino. Daarna start de beklimming van de Cormet de Roselend. De eerste kilometers gaan door het bos en zijn lekker koel. Maar hierna is er steeds minder schaduw en het wordt wederom 30 °C. Door al het zweten heb ik een enorme aantrekkingskracht op vervelende vliegen, die constant rond mijn hoofd zoemen. Op een gegeven moment ga ik een heuvelrug over en bereik ik een hooggelegen dal met stuwmeer. Het is hier prachtig! Ik heb hier een mooi uitzicht op de bergen rondom, zonder het commerciële van sommige andere passen. Na een cola moet ik nog bijna 400 meter klimmen tot aan de pashoogte (1.926 m).

De afdaling aan de oostzijde van de Roselend is fantastisch. Op een gegeven moment zie ik links heel mooi de zuidkant van het MonBlanc-massief, maar ik heb helaas geen tijd meer voor uitstapjes. Ik fiets snel door een soort kloof met haarspeldbochten. Uiteindelijk bereik ik pas om 19.40 uur Bourg St Maurice. De winkels zijn net dicht, dus haal ik maar vette hap bij de McDonald’s. Op de camping aangekomen ontmoet ik een Zwitsers echtpaar van ongeveer 50 jaar oud dat bepakt en al Alpencols fietst. Ik ben onder de indruk! Ik kom verder deze vakantie nauwelijks vakantiefietsers tegen, maar helaas wel vele honderden motorrijders.

Dag 3: Bourg St Maurice > Lanslebourg (82 km)

Nadat ik boodschappen heb gedaan bij de Intermarché, vertrek ik om 09.00 uur richting de Col d’Iseran. De klim verloopt in vier delen: eerst een soort aanloop met vals plat, vervolgens vijftien kilometer 5 à 9% klimmen, daarna door het skidorp Val d’Isere en tot slot weer een heel stuk 5 à 9% klimmen. Niet al te zwaar dus. De vallei is mooi, vooral de rechterzijde waar de witte Mont Pourri (3.779 m) majestueus boven de beboste hellingen en weiden uitsteekt.

Het wordt echter lelijk zodra de skistations opdoemen. Rondom Tignes, een paar kilometer naar het westen, met skiliften duidelijk zichtbaar op hoge bergkammen. Het hypocriete van Frankrijk is dat de grenzen van nationale parken precies om deze veel te hoge liften heen lopen. Bouw dan de boel maar helemaal vol. Met die gedachte rijd ik Val d’Isere binnen, hetgeen inderdaad letterlijk volgebouwd is met hotels, bar/restaurants en skiliften. Een paar kilometer voor de top gaat het motregenen en volgt er en hagelbui met op de achtergrond gedonder. Op de top aangekomen (2.764 m) is het alweer droog. Ik wil een topfoto maken, maar de twee Duitsers die zojuist met hun oude Landrover zijn aangekomen poseren in alle standen, en staan in de weg. Ze hebben het verdiend, zullen we maar zeggen.

De zuidzijde is stukken ruiger en mooier, en skiliften ontbreken. Wel gaat het na Bonneval sur Arc onweren: links van me spookt het gigantisch, terwijl op de bergen rechts van me de zon volop schijnt, heel bijzonder. Ik moet in dit langgerekte dal flink doortrappen. In Lanslebourg vind ik een aardige, kleine camping waar ik voor 6,50 euro kan staan. Vanwege de vele muggen en vliegen moet ik de hele avond noodgedwongen in de tent blijven. Ik constateer dat mijn benen en neus ondanks insmeren met factor 25 flink zijn verbrand.

Dag 4: Lanslebourg > Viú (103 km)

Als ik wakker wordt doet mijn linker heup zeer en sta ik van pure ellende al om 07.00 uur op. Ik voel me net bejaard. Zeker verkeerd gelegen vannacht. In de supermarkt verkopen ze geen brood. Gelukkig heb ik nog een restje van gisteren en heb ik al noodles achter mijn kiezen. De beklimming van de Mont Cenis is niet al te lastig en eigenlijk vrij saai: een serie langgerekte haarspeldbochten met af en toe plukjes schaduw. Bovenop de col (2.084 m) verandert het landschap. Aan de overzijde van het stuwmeer zijn prachtige bergen te zien met nog veel sneeuw op de flanken.

De afdaling is tot in de Valle di Susa prettig: Italiaanse bergwegen volgen veel meer dan in Zwitserland of Frankrijk de contouren van de berg. Dus geen saaie rechte stukken met ruime haarspeldbochten meer, maar juist wegen die langs de bergwanden slingeren met na elke bocht weer een verassing. Halverwege de afdaling is de weg volkomen opengebroken, maar ik weet de fiets over de grote betonblokken heen te tillen.

Het lager gelegen dal van Susa naar Torino biedt weinig schaduw en is heet. Ik volg de S24, een brede doorgaande weg, die dankzij de aanwezigheid van een snelweg en de siëstatijd vrij rustig is. Daarna volgt alweer een wegafsluiting: nu hebben ze een complete brug over een woeste bergbeek weggehaald. Dan ga ik dus maar dwars door een weiland voor een alternatieve oversteek. Net voordat de boer er met zijn koeien arriveert, duw ik de fiets onder het schrikdraad door.

Van de beklimming van de Col del Lys heb ik al een paar nachten wakker gelegen. Het hoogteprofiel dat ik van internet had geplukt geeft onder andere drie kilometer lang 15% gemiddeld aan. Met dat vooruitzicht, 32 °C in de schaduw en het water bijna op begin ik slechtgemutst aan de beklimming. Na de eerste paar bochten door een soort villawijk zie ik tot mijn verrassing een overdekte waterbron waar ik de bidons kan vullen. Ik fiets al veel blijer door het bos en drink nog een grote cola op een terras voor 1,50 euro.

Gaandeweg kom ik erachter dat van het meegebrachte hoogteprofiel niets klopt. De weg is slechts redelijk steil, zo tussen de 5 en 10%. Dat hoogteprofiel is vast gebaseerd op een alternatieve MTB-track. Volgens de landkaart moet het hier in de omgeving mooi zijn, maar door alle bomen zie ik daar helaas niets van. Een kilometer voor de top gaat het regenen en hagelen. De temperatuur daalt 15 °C. Bovengekomen (1.311 m) duik ik snel een café in en trakteer ik mijzelf op nóg een cola. Zodra het stopt met regenen stap ik weer op de fiets. De prachtige weg loopt langs de flanken van de hoge heuvels en door gehuchten naar beneden.

In Viú haal ik boodschappen en meld ik me bij de camping. Die blijkt er één voor stacaravans, maar ik mag op een schuin mollenveld staan. Het regent en zonder andere camping in de buurt rest mij niets dan hier te blijven. Als de jongen van de camping me voor één nacht 12 euro exclusief douchemunt in rekening brengt, ontplof ik. Hij biedt meteen 10 euro aan en ik accepteer dat maar. Na een ijskoude douche (die munt deed het niet) ren ik snel door de regen naar mijn tentje, waar ik een lekker maaltje ga koken.

Dag 5: Viú > Prese / Ceresole (89 km)

Ik ga vanochtend eerst naar de gezellige dorpswinkel van Viú: een hete ruimte vol vliegen en etenswaren. Het winkelmeisje werkt keihard om de grote toeloop klanten bij te kunnen houden. Na een kwartier ben ik aan de beurt en sta snel en geheel opgewarmd weer buiten met brood. De weg naar Lanzo kronkelt zich langs heuvelwanden stroomafwaarts. Lanzo is een aardig plaatsje, met in het centrum een winkelstraat op een langgerekte heuvel, en kleine, soms overdekte steegjes en trappen. Perugia in het klein, zullen we maar zeggen.

Later kom ik bij Corio, waar ik het brood opeet op een pittoresk kerkplein. In een volgend dorpje vraag ik een chauffeur de weg naar Rivara. De jongedame wijst me de juiste richting, en blijft tot mijn verrassing met haar auto kilometers lang vlak voor me rijden tot een splitsing waar Rivara op een bord staat aangegeven. Deze ‘service excellence’ vormt een bevestiging van de behulpzaamheid en hartelijkheid van veel Italianen.

Vanaf Rivara maakt de hitte – ik noteer alweer 30 °C – het fietsen weer zwaar. Er is weinig schaduw, maar gelukkig ook weinig verkeer op de uitstekende weg. Ik fiets Valle di Locana in, de zuidelijke toegangspoort van het Parco Nazionale del Gran Paradiso, en waar geen skigebieden zijn. De Gran Paradiso (4.061 m), de hoogste geheel op Italiaans grondgebied gelegen berg, is vandaag helaas in de wolken gehuld. Een kleine 20 kilometer verderop in het dal trakteer ik mijzelf in Locana (613 m) op een cola en eet ik mijn tweede broodje met jam.

Dan volgt een klim van tien kilometer naar het 400 meter hoger gelegen Noasca. Tijd voor een nóg een cola. Vlak na Noasca volgen vijf zeer steile (tot 15%) haarspeldbochten, maar deze ‘intervaltraining’ lijkt me toch beter af te gaan dan kilometers lang vals plat, zoals eerder vandaag in het dal. Er volgt een drieënhalve kilometer lange tunnel, gemiddeld 5-8%, met halverwege een kilometer lang 10-15%. Dit gaat ook prima, al was het maar doordat het zo lekker fris is hier. Vandaag houd ik echt van tunnels!

De tunnel uitgekomen zie ik een enorme grijze stapelwolk voor me en op hetzelfde moment een afslag links naar een camping. Tijd dus om te stoppen. Deze camping kan ik iedereen aanraden die een rustige plek wil op een vlak veld en genoegen neemt met koud water. Je hebt hier een fantastisch uitzicht op het Levanna-massief op de grens met Frankrijk, waarachter overigens de Col d’Iseran ligt.

Dag 6: Prese > Aosta (74 km)

De Colle del Nivolet is een aanrader! De klim voert eerst naar Ceresole, dat aan het begin van een lang stuwmeer is gelegen. Er zijn hier maar weinig hotels, maar wel zes (!) campings, waarvan er twee vol staan met de legertenten van de scouting. Ik eet mijn ontbijt op een fijne plek aan het einde van het meer. Ik zie nergens (ski)liften. In plaats daarvan staan langs de weg omhoog grote borden met de mededeling dat de pasweg hartje zomer gesloten is voor gemotoriseerd verkeer om zo wandelaars en fietsers de ruimte te geven.

Vanaf het meer fiets ik in acht kilometer zo’n 600 meter omhoog naar een kleiner stuwmeer. En daarna nog eens 400 meter hoger tegen een steile wand op naar de top. De niet al te steile weg is smal en gevarieerd, met vaak een mooi uitzicht op de afgelegde route. Het is alleen jammer van de vele handtastelijke rotvliegen, die alleen even weg zijn als de wind ze wegblaast – voor een paar seconden.

Bovenop de col (2.612 m) ontbreekt een pasbord. Hoe kan ik nu bewijzen dat ik hier ben geweest… Een kilometer verder naar het noorden neem ik een cola en banaan, en vertrek ik met uitzicht op de Gran Paradiso richting Aosta. Wandelaars kijken verbaasd hoe ik hier op een ongeveerde fiets met fietstassen het wandelpad op fiets. Ik weet wel beter: Jerry Nilson’s e-mail heeft mij ervan overtuigd dat je over wandelpaadjes naar beneden kunt fietsen. Hij deed het in drie uur, dus dan kan ik het ook.

Het eerste stuk gaat boven verwachting soepel. Ik fiets door een hooggelegen dal waar een beek door het gras meandert. Het wandelpad blijft grotendeels aan de oostoever. Vaak moet ik wandelen, maar soms kan ik ook een paar honderd meter fietsen. Ik begrijp niet waarom die Nilson er zo lang over deed – dit is echt makkelijk! Ik raak in euforische stemming, en stel me voor dat ik op een geluksschaal van 1 tot 10 een 10 scoor.

Dan verschijnen wat manshoge rotsblokken waar ik overheen moet klauteren. Geen probleem. Maar dan nog één… en nog één… en zo gaat het een tijdje door. Het stikt hier van de grote keien, schuine rotsplaten en modder. Hmmm… dit is geen pretje met zo’n zwaarbeladen fiets. Maar ik houd moed, want volgens de informatie die ik van Jerry heb loopt er vanaf een kruis een eenvoudig pad omlaag naar Pont.

Ik heb er meer dan anderhalf uur voor nodig om dat kruis te bereiken. Maar dan begint de ellende pas goed. Ik tuur in de diepte en zie dat een geitenpaadje zich 300 meter diep naar beneden zigzagt. Op dit moment besef ik dat Jerry misschien wel op een cross- of racefiets was met een klein rugzakje ofzo… De komende twee uur wurm ik mijzelf, mijn fiets en 20 kilo bagage over en tussen grote rotsblokken naar beneden. De remmen, die ik stevig samenknijp (behalve als ik de fiets til), krijgen het behoorlijk te verduren. Geregeld krijg ik het linkerpedaal in mijn rechterhiel, maar gelukkig val ik nergens.

Ik ben zo O N T Z E T T E N D boos dat ik een wat oudere dame lang voor blijf, maar uiteindelijk moet ik haar voor laten gaan. Haar metgezel verklaart me voor gek: volgens hem is het onmogelijk om met zo’n fiets de berg af te dalen. Ja duh, wat ben ik dan aan het doen?! Als ik door de bomen het dorpje Pont zie, begint het te regenen en hoor ik de eerste donderslagen. Uiteindelijk blijkt dat ik er vanaf de Colle del Nivolet drieënhalf uur over heb gedaan, en dat valt me dan nog mee.

Ik trek mijn regenpak aan en vertrek meteen naar Aosta – hopelijk blijf ik de onweersbui voor. Wishful thinking… Het gaat zó hard regenen dat ik bijna niets meer zie. Remmen gaat lastig, zeker nu het constant inknijpen van de remmen (tijdens de afdaling over het wandelpad vanaf het kruis) de remblokjes geen goed heeft gedaan. Gelukkig bereik ik na een paar kilometer een jeugdherberg met een afdak, waar ik een tijdje schuil. Het geschreeuw van de bambino’s binnen komt boven het lawaai van de regen en de bergbeek uit.

Na twintig minuten ben ik verkleumd en fiets ik weer verder. En net op dat moment begint het weer keihard te regenen. Maar nú ga ik toch echt door, zelfs al staat de weg soms blank van het water. Ondanks dichtgeknepen ogen zie ik nog wel dat dit een mooi en ongerept dal is, dat kilometers lang slechts ruimte biedt voor een woeste bergbeek en de kronkelende weg waarover ik rijd.

Ten slotte bereik ik eindelijk het zonnige en brede Valle d’Aosta. Via de grote weg ben ik in mum van tijd in de oude stadskern van Aosta. Ik eet een toeristenmenu bij Ristorante-Pizzeria “Moderno”. Het voorgerecht, een simpele pesto pasta, gaat er goed in. Maar het hoofdgerecht, een volstrekt smakeloos en gortdroog stuk kip, is waardeloos. Gelukkig is het ijstoetje wel lekker. De camping blijkt een stukje hoger aan de weg naar de St Bernard te liggen en biedt uitzicht op Aosta (600 m). Ik drink drie bekers thee, luister naar het onweer dat inmiddels ver weg is, en duik mijn slaapzak in. Wat een dag!

Dag 7: Aosta > Martigny (78 km)

Het ontbijt bestaat uit een liter melk; brood moet ik ergens onderweg scoren. Terwijl ik nog door de buitenwijken van Aosta rijd, zie ik een lifter met een ingeklapte vouwfiets langs de weg staan. Ik roep: “Come on, cycle with me to Switzerland!” Enkele minuten later verschijnt hij opeens naast me! Hij heet Ingo, is Duitser, werkt in Algerije en is gisteravond met het vliegtuig naar Milaan gekomen om vervolgens via de Grote St Bernard naar Zwitserland te liften. Aan de andere kant van de tunnel heeft hij met een vriend afgesproken om te gaan rotsklimmen. Ingo fietst kilometerslang met me op, erg knap zo met die kleine wieltjes en een oude weekendtas achterop. Nadat we 300 meter hoger zijn gekomen stopt hij en gaat weer liften.

De pasweg is niet steil, en daardoor fiets ik eigenlijk wat te snel. Ik moet dat bekopen met bijna-kramp in mijn linkerbeen. Vanaf Étroubles (1.264 m), waar ik brood en chocola kan kopen, besluit ik in het lichtste verzet verder te fietsen, want ik heb geen zin in kramp met 1.200 meter klimmen voor de boeg. Bij de splitsing tussen tunnelroute en de pasweg gaat het regenen. Jammer van de laaghangende bewolking, maar het is zo wel fijner fietsen dan afgelopen week met die hoge temperaturen. Het meeste verkeer raast over een andere, overdekte weg die naar de ingang van de tunnel leidt. Men is de oude, rustige pasweg integraal aan het renoveren. Het is een komen en gaan van bulldozers, graafmachines en werkmannen.

Na dik vijfenhalf uur fietsen ben ik eindelijk boven (2.469 m). Het regent en het kwik duikt onder de 10 °C. Zoals gebruikelijk op Alpenpassen zijn ook hier Duitse Motorfahrer die na hun riesen Leistung foto’s van elkaar maken. Toll! Wat voor mij resteert is een lange afdaling. Het bovenste stuk is vrij steil en bevat nog haarspeldbochten, maar verder kan ik zonder bijtrappen of -remmen vele, vele kilometers op mijn gemak 50 kilometer per uur rijden. In Martigny douche ik op de lokale camping en neem ik extra vroeg de trein naar Basel, alwaar ik ’s avonds de nachttrein naar Nederland pak.

Categorieën
2005 Italië Zwitserland

De Alpen #2

Dit is het verslag van mijn fietsreis door Zuidoost-Zwitserland en Noord-Italië. Met de Gavia als letterlijk en de Splügenpas als figuurlijk hoogtepunt. Verder stelden de passen hier teleur. Hoe dan ook, ik kan acht cols toevoegen aan mijn bucket list. Ik leg in vijf dagen ongeveer 400 kilometer af en stijg daarbij 7.600 meter.

Dag 1: Thusis > Pontresina (67 km)

Het eerste stuk van Thusis naar Tiefencastel gaat vals plat omhoog over een brede, doorgaande weg. Hier is dus niet zoveel aan. Bij Filisur splitst het dal zich in tweeën. Ik sla rechtsaf en volg de rivier de Albula. De klim naar Bergún blijkt stevig aanpoten met een paar kilometer tegen de 10% gemiddeld. Daarna vlakt de stijging weer af en opent het dal zich. In de verte doemen mooie bergen op. Hierna volgt weer een flink steil stuk: drie kilometer meer dan 8,5% – deze pas is verraderlijk. De weg wringt zich nu door een nauwer stuk, en dan is eindelijk links in de verte de pas te zien. Ik heb nog wel zeven kilometer en 500 hoogtemeters te gaan.

Bovenop (2.312 m) bevinden zich de gebruikelijke gezinnen en motorrijders die uitrusten van hun enorme inspanning. Ik ga gelijk door. Het dal is aan deze kant van de pashoogte een stuk ruiger, je zou bijna denken naargeestig. Na een lang recht stuk stort de weg zich in een serie gemeen steile haarspeldbochten omlaag. Voor me ligt het brede dal van Oberengadin. Het laatste stuk naar Pontresina is onverwacht lastig vanwege de harde wind die vanaf de Berninapas waait. Ik ben blij als ik bij de camping aankom, die zo’n vier kilometer na Pontresina vlak bij de Morteratsch-gletscher ligt.

Dag 2: Pontresina > Bormio (71 km)

Op papier zou deze dag met maar liefst vier cols boven de 2.200 m hoogte een topdag moeten worden. In de praktijk valt dit tegen. De Berninapas zelf is een saaie klim over een vrij drukke doorgaande weg. Het bochtenwerk na de top (2.326 m) is op zich leuk, maar ik moet al snel linksaf richting Livigno, om precies te zijn over de Forcola di Livigno (2.315 m). Dit is niet gemakkelijk met enkele kilometers meer dan 9% gemiddeld, maar de pashoogte laat niet lang op zich wachten. Ik zie hier niet zoveel van de omgeving omdat het is gaan miezeren.

Mede vanwege het weer ligt het dal van Livigno er wat sneu bij. Dan maar naar de derde pas van vandaag, de Passo d’Eira (2.208 m). Die lijkt vooral aangelegd voor het skiverkeer, want de weg is niet zo steil en vrij breed. Boven gekomen bestel ik cola. Dan ga ik weer omlaag, en direct omhoog: 400 meter stijgen naar de Passo di Foscagno (2.291 m). De weg wordt nu drukker. Ik vermoed data door het slechte weer veel dagjesmensen uit verveling zijn gaan autorijden, en waarom dan niet een bezoekje aan het belastingparadijsje Livigno (met lage benzinetarieven).

Volgens de landkaart ligt er ten zuiden van Bormio een camping. Wanneer ik daar aankom, blijkt deze zo vreselijk dat ik besluit om te keren. Ik heb het eigenlijk wel gehad na een dag lang door de regen over brede wegen fietsen. Ik neem een goedkope hotelkamer en eet mijn avondeten op bed.

Dag 3: Bormio > Ponte di Legno (44 km)

5 Juni 1988 was een gedenkwaardige dag. Toen kwam de Giro d’Italia in Bormio aan, en de etappe voerde over de hoge Passo di Gavia. Tijdens die beklimming ging de regen over in sneeuw. Dat bracht veel fietsers flink in de problemen. Velen vielen uit en sommigen lieten zich heimelijk in busjes vervoeren om verderop weer op te stappen. Nieuwkomer Erik Breukink was het meest gehard en won de etappe. Helaas was voor hem een tweede plaats weggelegd in het eindklassement, achter Andrew Hampsten die dat jaar de Giro won.

Vandaag voert mijn weg ook over de Gavia. Helaas in de foute richting. De klassieke route gaat namelijk van zuid naar noord. En dat is te merken: de noordzijde is ronduit saai en op een paar stukjes na helemaal niet steil. Ik heb door de laaghangende bewolking niet het gedroomde uitzicht. Bovenop de pashoogte (2.621 m) is het koud. De smalle weg gaat hoog boven het dal langs diverse afgronden. Tijdens de afdaling worden de remmen flink op de proef gesteld. Het groene weidelandschap aan de zuidzijde is machtig mooi.

Beneden in Temù vind ik de camping snel. Dit is een van de aardigste bergcampings waar ik ooit ben geweest. De baas is een aardige bebaarde Italiaan. Er komen hier veel Nederlanders met hun zware, stormbestendige katoenen tenten. Een prima plek om de rest van de middag een beetje te lanterfanten.

Dag 4: Ponte di Legno > Domaso (130 km)

Vandaag de Mortirolo! Dit is de bergrug waar vanuit een stuk of vier richtingen steile wegen samen komen, en die vaak in de Giro wordt opgenomen. Ik beklim de Mortirolo vanuit Monno. De pas is elf kilometer lang en stijgt gemiddeld bijna 8%. Dat is wel te doen, al voel ik de laatste paar kilometer met bijna 10% stijging toch wel in de kuiten. Het is een mooi aangelegde weg in een verder niet zo bijzondere omgeving. Bovenaan gekomen (1.852 m) fiets ik een tijdje vals plat op een plateau. Op goed geluk pak ik een weg naar het zuiden. Die brengt me na vele ups & downs naar het vreselijke skioord Passo di Aprica (1.181 m).

Ik daal 850 hoogtemeters naar het hoofddal dat van het Lago di Como naar Bormio loopt. Mijn eindpunt ligt bij het beroemde meer. Maar voor daar arriveer moet ik nog wel 65 kilometer fietsen. En dat is niet erg leuk: deze weg is namelijk druk en er wordt hard gereden. Automobilisten houden zoals overal in de Alpen goed rekening met fietsers. Maar het idee dat vrachtwagens met 80 km/u verschil langs me razen vind ik niet zo prettig. Bij Sondrio kan ik de verleiding van een McDonalds niet weerstaan. Na 130 kilometer plof ik neer op de camping in Domaso. Voordat ik mijn tent opzet bestel ik eerst een koud biertje.

Dag 5: Domaso > Thusis (95 km)

De zuidzijde van de Splügenpass is ideaal. Eerst doe ik een warming up door langs het mooie Lago di Mezzola naar Chiavenna (333 m) te fietsen. In dit drukke stadje doe ik wat boodschappen voor onderweg. Daarna volgt een stuk van tien kilometer 6 tot 7% gemiddeld, wat ook niet lastig is. Maar dan: oef! Voor me ligt een stuk van acht kilometer 8,5% gemiddeld. Dat is hard werken! Gelukkig wordt de weg een stuk gevarieerder: deze is soms in de rots uitgehakt met bizarre tunneltjes en erg scherpe bochten. De chauffeurs van de achteropkomende sportauto’s zien mij maar net op tijd!

Na het steile stuk is het nog acht kilometer peddelen naar de pashoogte. Er is een skigebied hoog op de berg rechts van mij (Mademiso), maar daar zie ik gelukkig niets van. Waar het tot nu toe landschappelijk wat tegenviel, is het hierboven heel mooi. Op de pashoogte (2.113 m) groet ik de Zwitserse douanier, en dan ben ik weer terug in Zwitserland. De noordzijde van de Splügenpass is best saai. Na een serie haarspeldbochten bevind ik mij al snel in het hoofddal. Vanaf Splügen gaat de weg langs de Hinterrhein omlaag. De Via Mala, de oude handelsroute die door de nauwe kloof kronkelt, biedt veel afwisseling. Het is een leuke afsluiting van een fietsvakantie met de mooiste beklimming op de laatste dag.

Categorieën
2004 Frankrijk Italië

De Alpen #1

Dit is het verslag van mijn fietstocht in juni 2004 rond de grens van Frankrijk en Italië. Met als hoogtepunten enkele hoge cols (Agnel, Bonette) en een paar onbekende passen (Fauniera, Sampeyre). Ik sta ook oog in oog met het standbeeld van Marco Pantani. In zes dagen leg ik 315 kilometer af en stijg daarbij 8.700 hoogtemeters.

Dag 1: Guillestre > Sampeyre (78 km)

Gisteren kwam ik eind van de middag aan in Guillestre. Het was 34 °C toen ik de tent opzette. Vandaag is het half bewolkt en een stuk frisser. Ik krijg het voor elkaar om al na een paar honderd meter de ketting eraf te rijden. Wat een begin! Met vieze handen rij ik door de kloof naar Queyras. Het Parc de Queyras is een van die rustpunten in het woud van grote Franse skigebieden. Het is hier naar verhouding ruig en primitief. Op een gegeven moment kom ik bij een afslag en denk: ben ik hier niet eerder geweest (1993)? en sla rechtsaf. Na een paar steile kilometers begin ik te twijfelen, en kom erachter dat ik de doodlopende weg naar Ceillac genomen heb. Dom dom dom… Ik keer om en ga nu wel de juiste kant op.

Na Chateau Queyras pak ik de D205 naar de Col d’Agnel. Ik neem wat sportdrank en stukjes Isostar tot me. Een collega van me zei dat ik daar vast beter zou gaan klimmen. Maar als ik eerlijk ben voelt het helemaal niet goed in mijn maag… Ik zie al snel de hoogste berg in de wijde omtrek opdoemen: de Monte Viso (3.841 m). Het is nu nog twintig kilometer en 1.350 meter stijgen. Het landschap is heel weids en verlaten. Maar wat is deze pas zwaar zeg. Met name het laatste stuk is slopend: je hebt dan al 1.200 meter geklommen en krijgt dan als toetje zes kilometer land 8,5% gemiddeld voor de kiezen. En dan die Isostar-rommel erbij: ik voel me hondsberoerd en moet overgeven. Dat spul hoef ik nooit meer.

Ik bereik nu de laatste bochten. Het weer was al niet best, maar nu begint het zowaar te sneeuwen. Volkomen eenzaam en niet geheel fit fiets ik hier op bijna 2.750 m hoogte. De afdaling moet grandioos zijn, maar ik zie er niet veel van. En van fietsen komt het jammer genoeg nauwelijks. Doordat ik mijn handschoenen niet bij mij heb, krijg ik zulke koude handen dat ik niet kan remmen. De eerste kilometers moet ik noodgedwongen lopen. Ik ben dan ook blij als ik uiteindelijk in Sampeyre aan kom. Daar kan ik de camping niet vinden, en omdat ik er niet veel voor voel om in de regen te gaan wildkamperen, zoek ik een goedkoop hotelletje. Dat biedt als voordeel dat ik alles kan laten drogen en vanaf mijn bed het WK Voetbal kan kijken.

Dag 2: Sampeyre > Ponte Marmora (32 km)

De dag van gisteren is me niet in de kouwe kleren gaan zitten. Ik start de dag misselijk en futloos, en heb geen zin om te gaan fietsen. Op het programma staat de Colle di Sampeyre: meer dan vijftien kilometer continu rond de 8,6% klimmen. Ter vergelijking: dat is een half procent steiler dan de klassieke oostelijke beklimming van de Stelvio. Maar die klim is een stuk indrukwekkender! Want de smalle weg vanuit Sampeyre gaat voor een groot deel door het bos en bevat geen bijzonderheden. Pas helemaal bovenop realiseer ik me hoe mooi het uitzicht achter me is: de Col d’Agnel naast de majestueuze Monte Viso.

De zuidzijde van de pas is gevarieerder. Na een paar kilometer over de smalle weg te hebben gereden, kan ik kiezen tussen Stroppo of Elva. Ik kies Elva. Dit dal blijkt een soort schlucht. De bergbeek laat maar weinig ruimte voor de smalle, uitgehakte weg. De tunneltjes door de opeenvolgende, tandachtige bergkammen zien er niet al te stevig uit. De spectaculaire afdaling is zo steil dat ik binnen enkele minuten beneden ben. Daar bots ik als het ware op de camping. Die blijkt echter nog niet geopend. Iemand treft voorbereidingen voor het komende seizoen, en ik mag van hem water tappen in het sanitairgebouw dat die avond wel op slot gaat. Deze nacht sta ik moederziel alleen op het veldje.

Dag 3: Ponte Marmora > Demonte (46 km)

Vandaag is de tocht waarvoor ik naar dit gebied ben gekomen. Mijn interesse was gewekt zodra ik erachter kwam dat de pasweg naar de Colle del Fauniera (of Colle dei Morti) recent was geasfalteerd, zodat de Giro d’Italia er over heen kon, maar de weg desondanks niet op de Michelin-kaart stond. (Sowieso is dat een besef dat je als fietser in West-Europa ooit krijgt: dat de heilige Michelin-kaart echt niet alle mooie weggetjes bevat.) Daar moest ik dus naar toe!

De beklimming bestaat uit drie gedeelten: eerst door een wat nauwere vallei langs de bergbeek Marmora en via een aantal bochten door bewoond gebied. Dan een lang steil stuk door de steeds bredere vallei naar de Colle d’Esischie (2.370 m). Hier zit een stuk in van meer dan vijf kilometer 8,7% gemiddeld met flinke uitschieters in sommige bochten. Tot slot het gebied aan de andere zijde van de Esischie richting de Colle del Fauniera, een omgeving die in tegenstelling tot het lieflijke, groene Marmoradal heel rotsig en ruig is.

Als ik bij de Fauniera aan kom, zie ik tot mijn verbazing een levensgroot standbeeld van Marco Pantani, die kort daarvoor is overleden aan een overdosis drugs. Ik bevind me nu op een lang gestrekte bergkam waar allerhande smalle, al dan niet geasfalteerde wegen lopen. Waarschijnlijk zij deze ooit aangelegd vanwege de Italiaans-Franse grensschermutselingen. Volgens mij kun je in dit gebied eindeloos fietsen, en ik moet hier zeker nog eens terugkomen. Het wordt inmiddels steeds bewolkter en er komt onweer aan. Ik duik omlaag over de steile weg door de verlaten vallei en zoek een veilig heenkomen.

Dag 4: Demonte > St Etienne de Tinee (67 km)

Op deze druilerige dag staat de Colle della Lombarda (2.350 m) op het programma. Ik ben nog steeds niet hersteld van het Isostar-debacle op de Agnel. De energie wil maar niet komen. Dan maar rustig gaan peddelen. Dat is lastig als je in het beginstuk zeven kilometer lang 8,8% moet rijden. (De Italiaanse passen zijn echt een tandje zwaarder dan de Franse en zeker pittiger dan in Zwitserland.) Het tweede deel van de beklimming is gelukkig eenvoudig. De pashoogte zelf kan me niet bekoren, dus ik ga snel naar beneden. Deze afdaling gaat langs Isola 2000, een ronduit vreselijk skioord met lelijke bebouwing en veel liften. Dat heeft één voordeel: de brede weg naar Isola leent zich goed om van af te dalen.

Beneden gekomen kom ik op de weg van Nice naar de Bonette. Het is vanaf hier nog vijftien kilometer vals plat naar Saint Etienne de Tinee. De camping hier is op buitensporters ingesteld. Ik krijg van de campingbaas alvast een Col de la Bonette-sticker (“La plus haute route d’Europe”) voor op mijn fiets. Naast mij zit een man voor een piepklein tentje. Hij blijkt een heel aardige Tukker van middelbare leeftijd die uit pure woede over zijn ontslag heeft besloten de 100 Colstocht te gaan rijden. We eten samen in het gezellige dorp. Hij rijdt veel meer kilometers en hoogtemeters per dag dan ik. Ik besef nu pas dat ik het deze vakantie wel heel rustig aan doe…

Dag 5: St Etienne de Tinee > Chatelard (55 km)

Als ik opsta is mijn buurman al vertrokken. De Tukker doet vandaag de Bonette en de Vars, terwijl ik het bij één pas houd. Mijn maag voelt eindelijk weer goed. Ik vier dat met een stokbrood met roomkaas en een liter volle melk als ontbijt. Ik fiets een eindje op met een Duitser die gisteren uit Nice is vertrokken en de komende dagen naar Frankfurt fietst. Hij fietst voor het eerst in de bergen, is vrij stevig van postuur en moet na enkele kilometers lossen. Ik hoop maar dat hij boven komt.

De pasweg verloopt in drie secties: eerst een eenvoudige aanloop door het lang gestrekte dal (5%), dan vijf kilometer bochtenwerk tegen de bergwand op (8,4%) en dan nog tien kilometer minder dan 7% naar de pashoogte. Vanaf het bochtenwerk wordt de pas interessant. Net als je je afvraagt waar de weg daar boven aan die bergwand toch heen gaat, zie je in de verte een lange rechte streep naar een ‘suikerberg’ lopen: het stukje naar de col. Ik vind het hier heel mooi. Ik fiets zo lekker dat ik niet door heb dat het maar 5 °C is, en fiets in een shirt met korte mouwen.

Vanaf de Col de Restefond leidt de weg om een iets hogere bergtop langs naar de Cime de la Bonette (2.802 m). Helaas lukt het me niet om dit stukje helemaal in het zadel te blijven; er liggen op een gegeven moment teveel stenen en sneeuw. Ik moet dus een stukje lopen. Hierboven heb ik een fantastisch uitzicht over de Maritieme Alpen, die opvallen door hun bruine kleur (vanwege erosie). De noordzijde is heel anders, een stuk steiler ook. In Jausiers geniet ik van een verlate lunch en sla rechtsaf naar Chatelard, waar de winderige camping is.

Dag 6: Chatelard > Guillestre (40 km)

Vandaag ga ik naar de Col de Vars (2.108 m). (Met de kennis van nu had ik de deels ongeasfalteerde Col du Parpaillon moeten hebben proberen. Maar in 2004 wist ik nog niet van het bestaan van deze hoge pas.) De pasweg is landschappelijk middelmatig aardig en op een enkel stuk van 10% na niet lastig. Ik sta al snel boven, en trakteer mijzelf op een cola. Tijdens de afdaling geniet ik van een prachtig uitzicht op de Ecrins. Ik bereik de camping in Guillestre, waar ik een frisse douche neem. Helaas, het zit er weer op – de terugreis naar Nederland begint.