Categories
2013 IJsland

Op naar Askja

In de zomer van 2013 fietsen Rudi en ik voor de derde maal op IJsland. Onze route voert ditmaal over de F210/208 (Fjallabaksvegur) naar Skaelingar en Landmannalaugar, over de F910 naar Askja en Snaefell en over de F206/207 naar Lakagigar. Van Egilsstadir tot Reykjavík nemen we de bus. We leggen in drie weken tijd zo’n 1.000 kilometer af.

Dag 1: Vliegtuig IJsland & Kevlavík > Hafnarfjördur (43 km)

Alwéér gaan we naar IJsland: het land van regen, wind, vulkanen, lava, mos, en oneindig veel stenen. Voor fietsers die van onverharde wegen en afwisseling in natuur houden is IJsland een mekka. Vanaf de luchthaven gaan we eerst naar Alex in Kevlavík om onze zak met fietshoezen en fietsbeschermingsspul te droppen en alvast de camping voor de laatste nacht te reserveren. Bij de receptie blijkt dat ze de camping hebben opgeheven (waar we in 2007 en 2011 onze tent opzetten), dus boeken we maar een hut.

De saaie tocht over de [41] verloopt verrassend voorspoedig. Het is prima fietsweer: 20 °C en er staat nauwelijks wind. Alleen de fietsen zelf zijn niet bepaald in vorm: mijn te wijde achterband is een beetje eivormig en Rudi heeft zijn leren Brooks zadel zo vaak opgespannen dat de stelschroef loslaat. We zetten onze tent op bij de prima camping van Hafnarfjordür. We bestellen bij de KFC een Giant Bucket die ze maar voor de helft met kipsnacks vullen – stelletje oplichters!

Dag 2: Hafnarfjördur > Hella (102 km)

Vandaag moeten we eerst op zoek naar een zadel voor Rudi. Speurwerk op internet leert dat er op zondag slechts enkele sportzaken in Reykjavík open zijn, en pas om 13.00 uur. Gelukkig vinden we bij een mall een winkel met geschikte zadels in het assortiment. We hebben dan al enorm veel boodschappen gedaan: genoeg voor bijna twee weken in de binnenlanden waar geen supermarkten zijn. Dankzij onze extra Ortieb dry bags kunnen we alles vrij makkelijk kwijt.

De [1] naar het oosten is als vanouds megasaai. Het is druk en er wordt hard gereden, al houdt men wel goed afstand. En het gaat nog regenen ook. Waarom fietsen we hier dan toch weer? We zijn dan ook blij als we om 21.00 uur in Hella aankomen. Op de grote camping ontmoeten we Miha, een rondom IJsland fietsende Sloveen die enthousiast allerlei technologiemerken uit zijn land noemt en verwacht dat wij die kennen (not).

Dag 3: Hella > Launfitjarsandur (66 km)

Vanuit Hella gaan we nog een paar kilometer over de [264] voordat we bij de onverharde [F210] aankomen. We rijden al snel door lavavelden van de Skógshraunvlakte, en klimmen geleidelijk naar de kleine maar opvallende vulkaankegel Hafrafell. Daarna wordt het landschap opeens een stuk gevarieerder.

Nóg mooier wordt het in de buurt van de Laufafell, een vallei met aan weerszijden fraaie met groen mos bedekte heuvels. Af en toe vangen we een glimp op van de imposante Tindfjallajökull. De hele tijd houden we de Eystri-Ranga rivier aan onze rechterzijde. De weg is inmiddels goed te doen; soms fietsen we zelfs sneller dan 20 kilometer per uur.

Bij de Laufafell (1.164 m) is er een waterscheiding: links lonkt het naar verluidt uniek gelegen Reykjadalir, maar wij slaan rechtsaf. Daar openbaart zich meteen een prachtige vallei: echt een van de mooiste plekken van IJsland! We steken een meanderend beekje meerdere malen eenvoudig over voordat we naar de brede vallei Launfit afdalen. De stroming van de rivier Markarfljót is helaas te sterk. Morgenvroeg gaan we die proberen te doorwaden.

Dag 4: Launfitjarsandur > Skaftárdalur (80 km)

De Markarfljót is ’s ochtends nog niet op volle kracht, dus kunnen we veilig naar de overkant. Wel moeten de fietstassen apart over. Weer op de fiets klimmen we naar de volgende vallei. Daarbij hebben we prachtige uitzichten op een werkelijk sprookjesachtig landschap: met name richting Faxi en Totfatindar in het zuidwesten. In het noordoosten moet ergens achter de besneeuwde toppen Landmannalaugar liggen. Het hele gebied tot aan Hvangill is supermooi!

Na de loopbrug over een rivier komen we bij de aansluiting met de [F261]. De berg Stórasúla staat er stoer bij. We vervolgen net als twee jaar geleden de [F210] over de Maelfellsandur-vlakte. Een man met een schattig hondje in een stuurmand fietst ons met grote snelheid over de jeep track tegemoet – ik ben te verbouwereerd om een foto te maken. Met een briesje in de rug gaat het fietsen door het lavazand opvallend makkelijk.

Inmiddels groeit het schattige wolkje achter ons uit tot een gigantische donderwolk die ons langzaam opslokt. Vlak voor de markante, groene Maelifell vulkaantop (~800 m), die fraai boven het donkere lavazand oprijst, gaat het opeens enorm hozen en daalt de temperatuur maar liefst tien graden. Na de Maelifell maken we een bocht naar links naar een vlakte waarop lavazand en vele kleine stroompjes elkaar afwisselen. Een kudde paarden met enkele ruiters komt ons met grote snelheid tegemoet. Een gaaf gezicht, maar wel jammer dat ze de jeep track aan gort lopen waar wij nog over moeten.

Verderop blijkt de Hólmsá lastig te overwinnen. De stroming is weliswaar matig, maar de rivier is vandaag behoorlijk diep; waarschijnlijk komt dat door de combinatie van hoge temperatuur, regen en tijdstip. Vlak bij ons einddoel Skaftádalur rijd ik hard op een geul in het wegdek, met een stootlek tot gevolg. Dit is mijn eerste lekke band ooit tijdens een fietsvakantie. We kamperen aan de oever van de Skaftá, een van IJsland’s grootste rivieren, met machtige stroomversnellingen vlak voor onze neus.

Dag 5: Skaftárdalur > Skaelingar (39 km)

De dik twintig kilometer over de [F208] gaan over een prima wegdek met maar weinig losse keien en zonder rivierdoorsteken. Af en toe is er een steile klim tot 18%. Ik heb helaas last van mijn onderrug en doe rustig aan. Dit eerste deel van de weg naar Landmannalaugar is vrij saai, al zijn we blij dat we –in tegenstelling tot twee jaar geleden– überhaupt íets kunnen zien. De omgeving wordt mooi vanaf de afslag naar de [F223], waar we een lus naar het noordoosten gaan fietsen.

Na de afslag volgt een dubbele riviersteek en gaat de weg flink steil helemaal omhoog naar de top van de heuvel Eldgja. Hier is een uitzichtpunt waar je een canyon en de waterval Ofaerufoss kunt zien. We pakken de jeep track naar Skaelingar en dalen weer helemaal af naar de Skaftá. Van de rivier zien we helaas minder dan we op basis van de landkaart hadden vermoed. Na de zoveelste beklimming over losse stenen zien we in de verte eindelijk de mooi geleden camping van Skaelingar.

Dag 6: Skaelingar > Landmannalaugar (54 km)

Direct vanaf de camping stijgen we meer dan 300 meter over een erg steile weg. Het is onmogelijk om hier zonder duwen boven te komen. Bovenop de heuvel is het 180 graden uitzicht fraai. We komen op de heuvelrug door een grappige ‘lavakloof’ en dalen vervolgens langzaam naar Blautulón af. De jeep track gaat hier deels door het ondiepe deel van het meer, maar wij lopen er gewoon langs. Dankzij het zonnige weer steekt dit diepblauwe meer scherp tegen de frisgroene heuvels af.

Via de eenvoudig te fietsen [F235] komen we al snel weer terug op de [F208] en gaan we richting Landmannalaugar. Vooral het stuk tussen de heuvels Graenafjall en Tindafjall is bijzonder mooi. Twee jaar geleden was dit een lastige etappe, omdat het toen de hele dag regende en koud was, en de rivierdoorsteken soms lastig waren. Vandaag zijn de hellingen natuurlijk nog steeds even steil en lang, maar het weer is prima en ik hoef maar bij één rivier de Sealskinz sokken uit te doen. We komen mooi op tijd aan in Landmannalaugar.

Dag 7: Landmannalaugar > Hrauneyjafoss (41 km)

Na 2007 en 2011 zijn we voor de derde maal we in Landmannalaugar. Ik doe een wasje en doe een fietscheck, terwijl Rudi een lavaveld induikt om foto’s te maken. Ik vind de camping nog steeds een drukke, ongezellige zooi. Er zijn veel backpackers die de beroemde trail uit hun bucket list ‘doen’, en er worden veel dagjesmensen in grote bussen aangevoerd. Toch moet ik toegeven: het is hier dan ook verdomde mooi.

’s Middags fietsen we noordwaarts over een superirritante wasbordweg met veel los zand. En dat is niet het enige, want het gaat steeds harder waaien. Dichtbij het meer Hrauneyjarlón is het zelfs lastig om overeind te blijven. Dat zijn van die momenten waarop je denkt: “Echt tof, IJsland (not).” We zijn dan ook opgelucht als we bij onze ‘vaste’ wildkampeerstek achter de boompjes bij de Hrauneyjafoss aankomen. Bij de guesthouse gaat de lekkerste hamburger van IJsland er goed in.

Dag 8: Rustdag Hrauneyjafoss

Het plan vandaag is om te beginnen aan de eentonige Sprengisandur, maar het waait keihard vanuit het noordoosten. We weten uit ervaring –twee jaar geleden kwamen we door de wind op de [F26] vast te zitten– dat nú fietsen geen enkele zin heeft. Het liefst pakken we meteen de bus, want de weg eentonig, maar die blijkt pas morgen weer te gaan. Dus houden we een rustdag in de tent en hopen we dat het weer verbetert.

Dag 9: Hrauneyjafoss > Nýidalur (bus) & Nýidalur > Langadrag (26 km)

Nou dat was dus wishful thinking: het is zelfs nóg harder gaan waaien. De vlaggenstok bij het benzinestation buigt helemaal door. Besluit genomen: we nemen de bus. Voorzichtig monteren we de fietsen achterop op de bus. Na de ervaring van 2011 doen we ditmaal isolatiefoam tussen de bovenbuizen en de haken om te voorkomen dat de lak er afslijt. Bij het verlaten benzinestation halverwege komt een fietser in de bus die daar vast is komen te zitten door de storm – net als wij twee jaar geleden.

De bonkige rit naar Nyídalur duurt drie uur en is slaapverwekkend. Daar aangekomen is het slechts 6 °C. De [F910] –ook wel bekend als ‘the road to Askja’ of ‘Iceland’s worst road’– is pas gisteren (7 augustus!) officieel opengesteld. De warden kan ons niet informeren over de status van de route. Maar goed ,we gaan gewoon van start. Gelijk bij de camping hebben we een rivierdoorsteek en vijf kilometer verderop is er nog een. Beide keren kniediep, met dus koude voeten tot gevolg. De temperatuur daalt naar 3 °C.

Niet lang daarna volgt de afslag naar Askja, waar we zo lang naar uit hebben gezien. We vragen aan een passerende ranger om informatie over water langs de route, maar hij weet het niet. De wegkwaliteit is aan het begin nog prima, maar wordt gaandeweg toch wel vrij slecht. Na nog een paar rivierdoorsteken vinden we een mooie kampeerplek aan de rivier Langadrag. Binnen in de tent is het maar net boven het vriespunt. ’s Nachts begint het te sneeuwen.

Dag 10: Langadrag > Fjallsendi (54 km)

We weten niet zeker of de beekjes die op onze landkaart staan getekend er in werkelijkheid zijn. En volgens diezelfde kaart zullen we na een kilometer of 40 lange tijd geen water meer tegenkomen. We nemen het zekere voor het onzekere: Rudi neemt de Ortlieb waterbuidel met zo’n zes liter water achterop. (Voor niks blijkt later, want we komen vandaag talloze beekjes en meertjes tegen. Wat een suffe ranger dat hij ons niet goed kon informeren!)

We bereiken al snel de rivier Skjálfandafljot waar een brug de steile oevers verbindt. We nemen de officiële noordroute van de [F910] en niet de zuidelijke variant na een waarschuwing voor drijfzand. Jammer genoeg zien we door de laaghangende bewolking niet veel van de omgeving. Zo is de vulkaankegel Trölladyngja (1.460 m), waar we toch de hele dag omheen fietsen, volkomen onzichtbaar.

De weg voert ons door steen- en lavavelden. Er is meer variatie dan de kaart doet vermoeden. Vooral bij Efribotnar is het leuk fietsen: een redelijk goede weg kriskras door hoge lavastructuren. In de buurt van de berg Thrihyrningur zien we wonderlijke klodderlava met allerlei rimpelingen. Na lang zwoegen vinden we uiteindelijk een perfecte kampeerplek op de parkeerplaats bij de markante rotsen van de steile Fjallsendi.

Dag 11: Fjallsendi > Askja (45 km)

Ook vannacht vroor het licht. De kou kwam dwars door het grondzeil, tentzeil en matrasje door. Met het donsjasje in de slaapzak hield ik het warm. Als we naar buiten gaan, zien we een beetje sneeuw op de tent liggen. Gelukkig loopt de temperatuur al snel op naar 6 °C. Ook zien we vandaag veel meer van de omgeving, zoals de ijskap in het zuiden, de Trölladyngja badend in de zon en de machtige bergen van Askja. Het is een mooie route met weidse uitzichten!

Het eerste stuk tot waar de zuidroute zich bij de [F910] voegt is eenvoudig, maar op het stuk tot aan de Holuhraunvlakte komen we veel mul zand tegen. Na een kort stukje ‘normale’ weg volgt wederom mul zand – ditmaal zelfs vijftien kilometer lang. Onmogelijk om hierdoor te fietsen, gaan we met veel moeite vlak naast de weg verder, waar het zand iets vaster is. De laatste zes kilometer tot aan Dreki, waar de hut en camping zijn gelegen, zijn erg rotsachtig met veel losse keien. Net als elders op IJsland zijn er in Dreki vooral Fransen, Spanjaarden, Italianen, Duitsers en Russen.

Dag 12: Askja > Kreppa (54 km)

Vandaag gaan we eerst de Askja-krater op. Om daar te komen fietsen we een kilometer of acht over een prima weg omhoog. Onderweg hebben we een prachtig uitzicht op ‘king’ Snaefell in het oosten en ‘queen’ Herdubreid in het noordoosten. Bovenaan parkeren we de fietsen en wandelen we naar het kratermeer. Je moet hier trouwens vroeg zijn – rond het middaguur is het één lange karavaan van dagjesmensen die met bussen vanuit Mývatn worden aangevoerd.

Askja is indrukwekkend. De prehistorische kraterring is maar liefst 50 km2 groot. Het hoogste punt Thorvaldstindur (1.510 m) rijst zeer steil op boven het meer Öskjuvatn. Askja is niet een traditioneel gevormde vulkaankegel. Er zit een flinke magmakamer onder de bergen en die is in de loop der tijd regelmatig ingestort. Als gevolg van de uitbarstingen ontstonden het grote meer Öskjuvatn en het kleine, warme kratermeer Vítí. De laatste echt grote uitbarsting was in 1875, toen de vulkaan in Oost-IJsland dood en verderf veroorzaakte. Een deel van de bevolking was het toen helemaal zat en vertrok naar het buitenland.

We glibberen over een steil sneeuwveld omlaag naar het kratermeertje Vítí. Hoog boven op de kraterrand kijken mensen toe terwijl we als enigen in het water glijden. Tot onze verbazing (of eigenlijk: teleurstelling) is het water helemaal niet heet, maar lauw (22 °C). Desondanks is het een bijzondere ervaring.

’s Middags gaan we weer oostwaarts. De prima gravel road verandert na Midfell in een rotweg met mul zand (en later ook wasbord). We passeren de lichtbruine heuvel Upptyppingar (1.084 m), die op een gigantische drol lijkt. We zetten de tent op een steenworp afstand van de Kreppa canyon op, in een bizar landschap met rechtopstaande stenen ‘muren’. Met Rudi’s afritsbroek zeven we het zanderige water dat we onderweg uit een meertje hebben gehaald.

Dag 13: Kreppa > Thórisstadir (57 km)

We verlaten onze mooie kampeerplek en fietsen met de wind in de rug noordwaarts naar de brug over de Kreppa. De eerste kilometer na de brug is erg mooi, maar daarna is het gedaan met de pret. Er volgen 40 kilometer barslechte weg (los zand, 80% wasbord, erg veel losse stenen), en de wind hebben we tegen. Ondanks het zonnige weer zijn er geen mooie uitzichten in dit eentonige landschap. Dit deel van de [F910] is zeker geen aanrader!

Op zo’n dag kan ik er helemaal doorheen zitten. Ik krijg dan een motivatiedip en last van mijn rug. Maar als we dan een extra Beverontbijt warm maken en verorberen, knap ik weer helemaal op. Opmerkelijk hoe veel beter je daarna tegen de wind en slechte weg kunt. Bij Brú gaan we het langgestrekte Hrafnkelsdalur in. We vinden een aardig kampeerplekje vlak naast de weg.

Dag 14: Thórisstadir > Snaefell (39 km)

De weg is goed te doen tot het benzinestation van Adalból. Maar dan zien we opeens dat de weg vanuit het dal bijna recht de heuvel oploopt. Het meest inspannende deel van onze IJslandvakantie dient zich aan. Dik 300 meter hoogteverschil over een erg steile en erg slechte weg. Ik moet 80% van de tijd duwen, en zelfs Rudi zie ik meer lopen dan fietsen. Wat een debiel aangelegde weg, nog erger dan in Engeland!

Boven op de heuvel fietsen we verder door de wolkenflarden, waardoor we weinig van de omgeving zien. Gelukkig is de weg op dit plateau niet meer zo hilly. Wel heb ik erg last van koude handen. Die dure waterdichte Sealskinz handschoenen blijken bij intensief gebruik in de regen namelijk niet waterdicht. Na de voorde, waar ik mijn Teva’s aantrek (en Rudi zijn surfschoenen), steken we de asfaltweg over en pakken we de [F909] naar Snaefell.

Na zo’n dertien kilometer over een vrij eenvoudige weg komen we bij de hut aan. Hier klaart het een beetje op, waardoor we de onderkant van de Snaefelll kunnen zien. Alhoewel we in de tent zullen slapen, maken we voor een paar euro per persoon extra gebruik van de faciliteiten van de gezellige en warme hut. Dit is echt een aanrader! Orri –warden én ranger– ontvangt ons hartelijk.

’s Avonds neemt Orri ons in zijn Land Rover mee naar de Saudahnjúkar. Tijdens de wandeling naar de top vertelt hij over het stuwmeer Hálslón. De bouw van de dam (2003-2006) was controversieel. De energie leverde weliswaar duizend arbeidsplaatsen op voor de nieuwe aluminiumsmelterij van Alcoa in Reydarfjördur, maar dit ging wel ten koste van het unieke broedgebied. Nu al gaat 85% van IJsland’s energieproductie naar aluminiumsmelterijen, en hoeveel extra natuur moet er nog worden opgeofferd?

Dag 15: Rustdag Snaefell

Vandaag houden we een rustdag in deze mooie omgeving. We wandelen via de ‘standaardroute’ de Snaefell op. Ik houd het halverwege bij een uitzichtpunt voor gezien, maar Rudi gaat stoer op zijn fietsschoenen door de sneeuw naar de top (1.833 m). Dankzij het mooie weer kunnen we meer dan 100 kilometer ver kijken: Asjufjöll in het zuidwesten, ‘queen’ Herdubreid in het noordwesten en Kverkjökull, Askja, de Trölladyngja en zelfs de Tungnafellsjökull in het uiterste westen.

Weer beneden bij de hut kletsen we met een hulpranger, die de rest van het jaar lerares IJslands is, en haar zuster. Zij geven ons les in de IJslandse taal. Dit is een interessante taal, zeker als je bedenkt dat het schrift al meer dan duizend jaar onveranderd is. IJslandse taalgeleerden verzinnen steeds nieuwe IJslandse woorden voor nieuwe buitenlandse woorden als koffie, banaan en computer; in de praktijk gebruikt men echter toch die buitenlandse woorden. ’s Avonds eten Orri en de dames een feestmaal –coq au vin– ter ere van de jaarlijkse Gay Pride.

Dag 16: Snaefell > Egilsstadir (94 km)

We nemen afscheid van Orri en de dames en gaan door de regen terug over de [F909]. We bereiken vervolgens snel het asfalt. Op papier ziet de volgende 50 kilometer over de hoogvlakte er eenvoudig uit, maar de weg is eentonig en de wind hebben we schuin tegen. Ik krijg alweer last van koude handen en mijn rug. Pas na de afdaling naar de Lagarfljöt en een Beverontbijt van 600 calorieën bij Hallormsstaduur knap ik weer op.

We zetten onze tent op bij de niet zo gezellige maar wel goed geoutilleerde camping van Egilsstadir. Omdat de winkels dicht zijn gaan we voor ons avondeten maar naar de N1. Dit is echt de place-to-be: het halve stadje is hier verzameld. Na een hamburger met friet werken we nog een pizza naar binnen. En een liter frisdrank de man. We voelen ons heel slecht na deze fast fat salt & sugar food experience. Als je bedenkt dat er in de VS vele mensen zijn die dit dagelijks doen…

Dag 17: Egilsstadir > Höfn (bus)

Vanaf Egilsstadir nemen we de bus helemaal naar Reykjavík terug, maar dan wel in etappes, met morgen een tussenstop om Laki te bezoeken. Twee jaar geleden zagen we door de laaghangende bewolking nauwelijks iets van de oostkust. Nu we de bus nemen, is het weer uitstekend. De hele weg van Egilsstadir tot aan Höfn is erg mooi, en zeker het eerste stuk over de [92] naar Reydarfjordur. We zien veel trapsgewijze bergen, ontstaan door lavaerosie. Nadat we op de camping in Höfn zijn aangekomen, eten we gepaneerde lamballetjes.

Dag 18: Höfn > Hunkubakkan (bus) & Hunkubakkan > Blágil (37 km)

Om 10.00 uur pakken we de bus naar het westen. We stoppen nog een uur bij het ijsmeer Jökullsárlón. Twee jaar geleden kwamen we ’s avonds in totale rust aan. Vandaag is deze locatie rond het middaguur één groot toeristische hotspot met megaveel bussen en huurauto’s. Idem dito voor Skaftafell waar we even later een korte stop maken. Waarom is het hier zo druk terwijl we landinwaarts op andere mooie plekken zo weinig mensen tegenkomen?

Halverwege de middag zet de buschauffeur ons bij de afslag naar de [F206] naar Laki af. Na anderhalve dag zonneschijn gaat het uitgerekend nu weer regenen. Daardoor zien we, net als twee jaar geleden, nauwelijks iets van het landschap. Gelukkig is het vandaag niet koud (8 tot 11 °C) en bereiken we na nog geen 40 kilometer onze bestemming al. Met de gezellige en goed geoutilleerde hut van Snaefell als referentiekader vinden we de hut en camping van Blágil maar een armoedige boel.

Dag 19: Rondrit Lakagigar (44 km)

Al om half vijf worden we gewekt door de blatende schapen. Zin om op te staan hebben we voorlopig echter niet, want het blijft maar regenen. Aan het eind van de ochtend zijn we de weersomstandigheden helemaal zat: we trekken onze regenpakken aan en rijden de mist in! Ons plan is om het rondje Laki [F207] met de klok mee te fietsen. Na een kilometer of vijftien beginnen we iets van de omgeving te zien, en na het informatiepunt halverwege het rondje klaart het zowaar op.

Rechts van ons liggen de kraters op een rij helemaal tot aan de ‘moederkrater’ Laki. Links van ons zien we bemoste heuvels, gelegen achter het meer Lambavatn. Vlak hierna hebben we op het meest noordwestelijke deel van de lus het meest spectaculaire uitzicht. De zon breekt af en toe door en schijnt dan prachtig op de lavavlakte Lakagigar die zich naar het noordwesten uitstrekt, met daarachter de Skaftá en de groene heuvels van Fögruufjöll, die tegen de intens donkere wolken afsteken.

Vervolgens rijden we naar de Laki-vulkaan. In 1783 en 1784 waren er in het hele gebied van Lakagigar, Grímsvötn en Thordarhyrna diverse uitbarstingen. Naast 14 km3 basaltlava kwamen grote hoeveelheden fluorwaterstofzuur en zwaveldioxide vrij. Op IJsland ging de helft van het vee en een kwart van de bevolking dood. De lavastof en zure regen leidden mondiaal tot een dip in de temperatuur, mislukte oogsten in Europa en droogte elders. Laki heeft misschien wel zes miljoen slachtoffers geëist: een wereldrecord voor een vulkaanuitbarsting. Vandaag houdt Laki zich koest.

Dag 20: Blágil > Kirkjubaejarklaustur (44 km)

Sinds gisteravond regent het onafgebroken. Het gebied tussen Kirkjubaejarklaustur (‘Kurkyousomething’), Laki, Landmannalaugar en Vík is misschien wel IJsland’s natste plek. Vandaar natuurlijk dat het hier overal zo mooi groen is. Maar dát zie je dan weer niet door de mist… Hoe dan ook, we hebben het op IJsland nog niet eerder zo nat meegemaakt. Alle bandensporen op de [F702] zijn met water gevuld en we rijden op goed geluk door tien meter lange plassen. Na deze erg regenachtige dag is de camping in Kurkyousomething fijn. We eten heerlijk mals lamsvlees met gebakken krieltjes.

Dag 21: Kirkjubaejarklaustur > Reykjavík (bus) & Reykjavík > Hafnarfjördur (14 km)

Voor de vierde en laatste keer deze vakantie spelen we vals door de bus te nemen. De chauffeur spoort niet helemaal: hij roept de hele tijd dingen over toeristische plekken naar ons en een Duits echtpaar. In het IJslands wel te verstaan, want hij beheerst geen Engels. Hij rijdt bovendien te hard, gaat slecht met fietsen om en maakt voortdurend onsmakelijke geluiden. Opgelucht stappen we in Reykjavík uit bij de stadscamping, vanaf waar we gelijk naar de fijnere camping in Hafnarfjördur door fietsen.

Dag 22: Hafnarfjördur > Kevlavík (82 km)

We mijden de saaie [41] en nemen een alternatieve route via Grindavík. De [42] brengt ons in Sveifluháls: één van de actieve vulkanische gebieden op het zuidwestelijke schiereiland. We bezoeken Krýsuvíkur, waar we bluppende modder zien omringd door vreemde kleuren, en waar stoom tussen de lavastenen naar boven komt. Het lijkt hier wel een beetje op Hverir bij Myvatn. Hierna pakken we een nieuwe weg langs de zuidkust naar Grindavík, en met een hamburger van de N1 in de buik trotseren we de laatste twintig kilometer de straffe tegenwind naar Kevlavík.

Dag 23: Vliegtuig Nederland

Na een prima overnachting in een eenkamerhuisje op het terrein van Alex vertrekken we om kwart over vijf naar de luchthaven. Een uur later staan hebben we de fietsen en tassen ingepakt en schuiven aan in een enorm lange en langzame rij, veroorzaakt doordat de meeste vluchten ’s ochtends vroeg zijn gepland. Na nog een uur zijn we eindelijk ingecheckt – maar nét op tijd voor het boarden. Op Schiphol drinken Rudi en ik een biertje en proosten op de geslaagde vakantie!

Nawoord

Na drie fietsvakanties op IJsland maak ik voor mijzelf de balans op. Ik ben het meest onder de indruk van het gebied tussen de Hekla, Eyjafjallajökull, Mýrdalsjökull, Lándmannahellir en Laki. Zoveel afwisseling tussen groen bemoste heuvels, lavavelden, ijskappen, canyons en meanderende rivieren zie je nergens anders op IJsland, en misschien wel niet wereldwijd. Askja, Lónsörafi, Kerlingarfjöll en de oostkust kunnen er goed mee door, evenals het ijsmeer Jökullsárlón – zolang je de drukte weet te omzeilen. Daarentegen zijn de doorgaande onverharde routes Kjolur, Sprengissandur en F26 ten oosten van Askja eentonig, en de wegen in het zuidwesten zijn breed en druk; de bus biedt hier uitkomst.