Categories
2008 Frankrijk Italië Zwitserland

De Alpen #3

Dit is het verslag van de Tour de Nivolet: mijn fietstocht in 2008 in het drielandengebied van Zwitserland, Frankrijk en Italië. Deze reis levert naast negen cols een interessante off-road detour op. Ik fiets in zeven dagen tijd zo’n 600 kilometer en stijg daarbij 12.700 meter.

Proloog

Als kind zag ik het Nationale Park Gran Paradiso op de landkaart: al die kleine dalen leidend naar de trots van Italië. En een heel hoge pas, de Colle del Nivolet, met maar aan één kant een weg geschikt voor autoverkeer. Daar moest ik ooit nog eens naar toe. Vorig jaar keek ik op de kaart of ik een leuk rondje in de Alpen kon maken en googelde op “Nivolet”. Wat bleek: ene Jerry Nilson uit Zweden was over deze pas gefietst. Dit maakte mij nieuwsgierig, en toen ik hem mailde kreeg ik als antwoord:

“Hi Willem,

(…) it would be easy to just go right soon after the Refugio-shop where the asphalt ends and simply walk down the path along the little stream. You will probably not be able to cycle more than 200-300 m or so down this vague track, which soon turns into paths. I think you get over on the right side of the stream and try not get too far off from it – many confusing paths down there – but as long as you seem to go in a somewhat straight line ahead it should take you down to the cross and the serpentine path down to Pont. The serpentine path is wide and good, but I still managed to fall headlessly down the steep side (no good with cycling shoes). The walking takes you three hours at normal speed without stopping down to Pon, a bit longer than one would suspect looking at the maps and even while being there, but it is some way down. If you have heavy packaging it might take a bit longer. Hope you will have nice weather and a nice trip!

Jerry Nilson”

Deze kans om de Nivolet over te gaan liet ik natuurlijk niet liggen…

Dag 1: Martigny > St Gervais-les-Bains (80 km)

Gisteren heb ik voor het eerst sinds Interrail ’92 weer eens een nachttrein gepakt. Niet heel erg goedkoop, maar wel comfortabel. Vanaf het meer van Geneve zit ik in een wagon met een stuk of twaalf Japanse toeristen die werkelijk van elke zucht en scheet een foto maken. De conducteur vertelt me voor de vorm dat het complete treinstel eigenlijk gereserveerd is door de groep, maar doet verder niet moeilijk over mijn aanwezigheid. We kletsen gezellig over zijn mooie huis bij Montey.

Ik fiets om 11.15 uur uit Martigny weg. Na een paar kilometer moet ik rechtsaf de Col de la Forclaz op: een niet erg spectaculaire weg die in het begin tussen de wijnranken is gelegen. Naar de pashoogte is het weliswaar slecht, s één kilometer klimmen, maar wel dertien kilometer lang 8% gemiddeld. Vooral door de temperatuur –30 °C in de schaduw– wordt het een zware beproeving. Van het begin tot het einde is er nauwelijks schaduw en ondanks mijn zonnebril en pet krijg ik al snel barstende koppijn. Net als op baaldagen tijdens eerdere Alpenfietsvakanties neem ik me voor dat dit de laatste maal is dat ik hier voor mijn plezier met fietstassen ga fietsen.

Boven gekomen (1.526 m) trakteer ik mijzelf op een cola. Daarna daal ik af naar Frankrijk waar ik een klein stukje moet klimmen naar de Col des Montets wacht. Het is hier eigenlijk best mooi: niet zo aangeharkt als in Zwitserland. Bovenop de col (1.461 m) zie ik in de verte een slagroomtoef: dat moet de Mont Blanc zijn! De afdaling is mooi, met aan de linkerzijde het imposante Mont Blanc massief met al zijn steile bergkammen en gletsjers.

Argentières en vooral Chamonix zijn vreselijke oorden met veel Amerikaanse toeristen. Na Chamonix begint een vierbaans autoweg die overgaat in een snelweg. Gelukkig vind ik een bordje ‘fietsroute’ en volg een secundaire weg. Fraai! Anderhalf uur lang volg ik kleine weggetjes tegen berghellingen op, en maak zo onbedoeld een paar honderd hoogtemeters meer dan gepland. Door de zon voel ik mijn hamstrings trekken; ik rij op een gegeven moment zo langzaam dat ik word ingehaald door een wegskiër. Ik hoop maar dat niemand mij verder ziet…

Gelukkig is daar eindelijk de weg naar St Gervais-les-Bains. De beklimming naar de camping, zo’n drie kilometer na het wintersportoord, is makkelijk. De aardige campingmevrouw vertelt me dat het erg warm is voor deze wat hoger gelegen regio, overdag tussen de 30 en 35 °C. Nadat ik instant bami heb gegeten heb nog net even tijd om vleermuizen te kijken voordat het helemaal donker is.

Dag 2: St Gervais-les-Bains > Bourg-St Maurice (96 km)

St Gervais is een aardige plaats en doet wat mondain aan. Het een paar honderd meer hoger gelegen Mégève is echter een zielloos skidorp met als enige positief aspect de grote supermarkt waar ik mijn ontbijt haal. De rit vanaf Mégève zag er op de kaart mooi uit, zo langs een rivier, maar blijkt in werkelijkheid vrij saai. Ik ben dan ook blij als ik linksaf kan, de weg naar de Col de Saisies op. Ik moet hier gelijk flink stijgen. Landschappelijk valt er weinig te genieten op deze weg: alles in dit dal is gericht op skiën. Zelfs bovenop de berg (1.650 m) zijn skipistes, sleepliften, een restaurant en andere attracties. De Franse skigebiedplanologen kennen geen grenzen.

Genoeg getreurd, want met de afdaling met uitzicht op de Mont Blanc begint een veel mooier stuk van Frankrijk. Beneden in het gezellige Beaufort lunch ik op de stoep van de mini-Casino. Daarna start de beklimming van de Cormet de Roselend. De eerste kilometers gaan door het bos en zijn lekker koel. Maar hierna is er steeds minder schaduw en het wordt wederom 30 °C . Door al het zweten heb ik een enorme aantrekkingskracht op vervelende vliegen, die constant rond mijn hoofd zoemen. Op een gegeven moment ga ik een heuvelrug over en bereik ik een hooggelegen dal met stuwmeer. Het is hier prachtig! Ik heb hier een mooi uitzicht op de bergen rondom, zonder het commerciële van sommige andere passen. Na een cola moet ik nog bijna 400 meter klimmen tot aan de pashoogte (1.926 m).

De afdaling aan de oostzijde van de Roselend is fantastisch. Op een gegeven moment zie ik links heel mooi de zuidkant van het MonBlanc-massief, maar ik heb helaas geen tijd meer voor uitstapjes. Ik fiets snel door een soort kloof met haarspeldbochten. Uiteindelijk bereik ik pas om 19.40 uur Bourg St Maurice. De winkels zijn net dicht, dus haal ik maar vette hap bij de McDonald’s. Op de camping aangekomen ontmoet ik een Zwitsers echtpaar van ongeveer 50 jaar oud dat bepakt en al Alpencols fietst. Ik ben onder de indruk! Ik kom verder deze vakantie nauwelijks vakantiefietsers tegen, maar helaas wel vele honderden motorrijders.

Dag 3: Bourg St Maurice > Lanslebourg (82 km)

Nadat ik boodschappen heb gedaan bij de Intermarché, vertrek ik om 09.00 uur richting de Col d’Iseran. De klim verloopt in vier delen: eerst een soort aanloop met vals plat, vervolgens vijftien kilometer 5 à 9% klimmen, daarna door het skidorp Val d’Isere en tot slot weer een heel stuk 5 à 9% klimmen. Niet al te zwaar dus. De vallei is mooi, vooral de rechterzijde waar de witte Mont Pourri (3.779 m) majestueus boven de beboste hellingen en weiden uitsteekt.

Het wordt echter lelijk zodra de skistations opdoemen. Rondom Tignes, een paar kilometer naar het westen, met skiliften duidelijk zichtbaar op hoge bergkammen. Het hypocriete van Frankrijk is dat de grenzen van nationale parken precies om deze veel te hoge liften heen lopen. Bouw dan de boel maar helemaal vol. Met die gedachte rijd ik Val d’Isere binnen, hetgeen inderdaad letterlijk volgebouwd is met hotels, bar/restaurants en skiliften. Een paar kilometer voor de top gaat het motregenen en volgt er en hagelbui met op de achtergrond gedonder. Op de top aangekomen (2.764 m) is het alweer droog. Ik wil een topfoto maken, maar de twee Duitsers die zojuist met hun oude Landrover zijn aangekomen poseren in alle standen, en staan in de weg. Ze hebben het verdiend, zullen we maar zeggen.

De zuidzijde is stukken ruiger en mooier, en skiliften ontbreken. Wel gaat het na Bonneval sur Arc onweren: links van me spookt het gigantisch, terwijl op de bergen rechts van me de zon volop schijnt, heel bijzonder. Ik moet in dit langgerekte dal flink doortrappen. In Lanslebourg vind ik een aardige, kleine camping waar ik voor 6,50 euro kan staan. Vanwege de vele muggen en vliegen moet ik de hele avond noodgedwongen in de tent blijven. Ik constateer dat mijn benen en neus ondanks insmeren met factor 25 flink zijn verbrand.

Dag 4: Lanslebourg > Viú (103 km)

Als ik wakker wordt doet mijn linker heup zeer en sta ik van pure ellende al om 07.00 uur op. Ik voel me net bejaard. Zeker verkeerd gelegen vannacht. In de supermarkt verkopen ze geen brood. Gelukkig heb ik nog een restje van gisteren en heb ik al noodles achter mijn kiezen. De beklimming van de Mont Cenis is niet al te lastig en eigenlijk vrij saai: een serie langgerekte haarspeldbochten met af en toe plukjes schaduw. Bovenop de col (2.084 m) verandert het landschap. Aan de overzijde van het stuwmeer zijn prachtige bergen te zien met nog veel sneeuw op de flanken.

De afdaling is tot in de Valle di Susa prettig: Italiaanse bergwegen volgen veel meer dan in Zwitserland of Frankrijk de contouren van de berg. Dus geen saaie rechte stukken met ruime haarspeldbochten meer, maar juist wegen die langs de bergwanden slingeren met na elke bocht weer een verassing. Halverwege de afdaling is de weg volkomen opengebroken, maar ik weet de fiets over de grote betonblokken heen te tillen.

Het lager gelegen dal van Susa naar Torino biedt weinig schaduw en is heet. Ik volg de S24, een brede doorgaande weg, die dankzij de aanwezigheid van een snelweg en de siëstatijd vrij rustig is. Daarna volgt alweer een wegafsluiting: nu hebben ze een complete brug over een woeste bergbeek weggehaald. Dan ga ik dus maar dwars door een weiland voor een alternatieve oversteek. Net voordat de boer er met zijn koeien arriveert, duw ik de fiets onder het schrikdraad door.

Van de beklimming van de Col del Lys heb ik al een paar nachten wakker gelegen. Het hoogteprofiel dat ik van internet had geplukt geeft onder andere drie kilometer lang 15% gemiddeld aan. Met dat vooruitzicht, 32 °C in de schaduw en het water bijna op begin ik slechtgemutst aan de beklimming. Na de eerste paar bochten door een soort villawijk zie ik tot mijn verrassing een overdekte waterbron waar ik de bidons kan vullen. Ik fiets al veel blijer door het bos en drink nog een grote cola op een terras voor 1,50 euro.

Gaandeweg kom ik erachter dat van het meegebrachte hoogteprofiel niets klopt. De weg is slechts redelijk steil, zo tussen de 5 en 10%. Dat hoogteprofiel is vast gebaseerd op een alternatieve MTB-track. Volgens de landkaart moet het hier in de omgeving mooi zijn, maar door alle bomen zie ik daar helaas niets van. Een kilometer voor de top gaat het regenen en hagelen. De temperatuur daalt 15 °C. Bovengekomen (1.311 m) duik ik snel een café in en trakteer ik mijzelf op nóg een cola. Zodra het stopt met regenen stap ik weer op de fiets. De prachtige weg loopt langs de flanken van de hoge heuvels en door gehuchten naar beneden.

In Viú haal ik boodschappen en meld ik me bij de camping. Die blijkt er één voor stacaravans, maar ik mag op een schuin mollenveld staan. Het regent en zonder andere camping in de buurt rest mij niets dan hier te blijven. Als de jongen van de camping me voor één nacht 12 euro exclusief douchemunt in rekening brengt, ontplof ik. Hij biedt meteen 10 euro aan en ik accepteer dat maar. Na een ijskoude douche (die munt deed het niet) ren ik snel door de regen naar mijn tentje, waar ik een lekker maaltje ga koken.

Dag 5: Viú > Prese / Ceresole (89 km)

Ik ga vanochtend eerst naar de gezellige dorpswinkel van Viú: een hete ruimte vol vliegen en etenswaren. Het winkelmeisje werkt keihard om de grote toeloop klanten bij te kunnen houden. Na een kwartier ben ik aan de beurt en sta snel en geheel opgewarmd weer buiten met brood. De weg naar Lanzo kronkelt zich langs heuvelwanden stroomafwaarts. Lanzo is een aardig plaatsje, met in het centrum een winkelstraat op een langgerekte heuvel, en kleine, soms overdekte steegjes en trappen. Perugia in het klein, zullen we maar zeggen.

Later kom ik bij Corio, waar ik het brood opeet op een pittoresk kerkplein. In een volgend dorpje vraag ik een chauffeur de weg naar Rivara. De jongedame wijst me de juiste richting, en blijft tot mijn verrassing met haar auto kilometers lang vlak voor me rijden tot een splitsing waar Rivara op een bord staat aangegeven. Deze ‘service excellence’ vormt een bevestiging van de behulpzaamheid en hartelijkheid van veel Italianen.

Vanaf Rivara maakt de hitte – ik noteer alweer 30 °C – het fietsen weer zwaar. Er is weinig schaduw, maar gelukkig ook weinig verkeer op de uitstekende weg. Ik fiets Valle di Locana in, de zuidelijke toegangspoort van het Parco Nazionale del Gran Paradiso, en waar geen skigebieden zijn. De Gran Paradiso (4.061 m), de hoogste geheel op Italiaans grondgebied gelegen berg, is vandaag helaas in de wolken gehuld. Een kleine 20 kilometer verderop in het dal trakteer ik mijzelf in Locana (613 m) op een cola en eet ik mijn tweede broodje met jam.

Dan volgt een klim van tien kilometer naar het 400 meter hoger gelegen Noasca. Tijd voor een nóg een cola. Vlak na Noasca volgen vijf zeer steile (tot 15%) haarspeldbochten, maar deze ‘intervaltraining’ lijkt me toch beter af te gaan dan kilometers lang vals plat, zoals eerder vandaag in het dal. Er volgt een drieënhalve kilometer lange tunnel, gemiddeld 5-8%, met halverwege een kilometer lang 10-15%. Dit gaat ook prima, al was het maar doordat het zo lekker fris is hier. Vandaag houd ik echt van tunnels!

De tunnel uitgekomen zie ik een enorme grijze stapelwolk voor me en op hetzelfde moment een afslag links naar een camping. Tijd dus om te stoppen. Deze camping kan ik iedereen aanraden die een rustige plek wil op een vlak veld en genoegen neemt met koud water. Je hebt hier een fantastisch uitzicht op het Levanna-massief op de grens met Frankrijk, waarachter overigens de Col d’Iseran ligt.

Dag 6: Prese > Aosta (74 km)

De Colle del Nivolet is een aanrader! De klim voert eerst naar Ceresole, dat aan het begin van een lang stuwmeer is gelegen. Er zijn hier maar weinig hotels, maar wel zes (!) campings, waarvan er twee vol staan met de legertenten van de scouting. Ik eet mijn ontbijt op een fijne plek aan het einde van het meer. Ik zie nergens (ski)liften. In plaats daarvan staan langs de weg omhoog grote borden met de mededeling dat de pasweg hartje zomer gesloten is voor gemotoriseerd verkeer om zo wandelaars en fietsers de ruimte te geven.

Vanaf het meer fiets ik in acht kilometer zo’n 600 meter omhoog naar een kleiner stuwmeer. En daarna nog eens 400 meter hoger tegen een steile wand op naar de top. De niet al te steile weg is smal en gevarieerd, met vaak een mooi uitzicht op de afgelegde route. Het is alleen jammer van de vele handtastelijke rotvliegen, die alleen even weg zijn als de wind ze wegblaast – voor een paar seconden.

Bovenop de col (2.612 m) ontbreekt een pasbord. Hoe kan ik nu bewijzen dat ik hier ben geweest… Een kilometer verder naar het noorden neem ik een cola en banaan, en vertrek ik met uitzicht op de Gran Paradiso richting Aosta. Wandelaars kijken verbaasd hoe ik hier op een ongeveerde fiets met fietstassen het wandelpad op fiets. Ik weet wel beter: Jerry Nilson’s e-mail heeft mij ervan overtuigd dat je over wandelpaadjes naar beneden kunt fietsen. Hij deed het in drie uur, dus dan kan ik het ook.

Het eerste stuk gaat boven verwachting soepel. Ik fiets door een hooggelegen dal waar een beek door het gras meandert. Het wandelpad blijft grotendeels aan de oostoever. Vaak moet ik wandelen, maar soms kan ik ook een paar honderd meter fietsen. Ik begrijp niet waarom die Nilson er zo lang over deed – dit is echt makkelijk! Ik raak in euforische stemming, en stel me voor dat ik op een geluksschaal van 1 tot 10 een 10 scoor.

Dan verschijnen wat manshoge rotsblokken waar ik overheen moet klauteren. Geen probleem. Maar dan nog één… en nog één… en zo gaat het een tijdje door. Het stikt hier van de grote keien, schuine rotsplaten en modder. Hmmm… dit is geen pretje met zo’n zwaarbeladen fiets. Maar ik houd moed, want volgens de informatie die ik van Jerry heb loopt er vanaf een kruis een eenvoudig pad omlaag naar Pont.

Ik heb er meer dan anderhalf uur voor nodig om dat kruis te bereiken. Maar dan begint de ellende pas goed. Ik tuur in de diepte en zie dat een geitenpaadje zich 300 meter diep naar beneden zigzagt. Op dit moment besef ik dat Jerry misschien wel op een cross- of racefiets was met een klein rugzakje ofzo… De komende twee uur wurm ik mijzelf, mijn fiets en 20 kilo bagage over en tussen grote rotsblokken naar beneden. De remmen, die ik stevig samenknijp (behalve als ik de fiets til), krijgen het behoorlijk te verduren. Geregeld krijg ik het linkerpedaal in mijn rechterhiel, maar gelukkig val ik nergens.

Ik ben zo O N T Z E T T E N D boos dat ik een wat oudere dame lang voor blijf, maar uiteindelijk moet ik haar voor laten gaan. Haar metgezel verklaart me voor gek: volgens hem is het onmogelijk om met zo’n fiets de berg af te dalen. Ja duh, wat ben ik dan aan het doen?! Als ik door de bomen het dorpje Pont zie, begint het te regenen en hoor ik de eerste donderslagen. Uiteindelijk blijkt dat ik er vanaf de Colle del Nivolet drieënhalf uur over heb gedaan, en dat valt me dan nog mee.

Ik trek mijn regenpak aan en vertrek meteen naar Aosta – hopelijk blijf ik de onweersbui voor. Wishful thinking… Het gaat zó hard regenen dat ik bijna niets meer zie. Remmen gaat lastig, zeker nu het constant inknijpen van de remmen (tijdens de afdaling over het wandelpad vanaf het kruis) de remblokjes geen goed heeft gedaan. Gelukkig bereik ik na een paar kilometer een jeugdherberg met een afdak, waar ik een tijdje schuil. Het geschreeuw van de bambino’s binnen komt boven het lawaai van de regen en de bergbeek uit.

Na twintig minuten ben ik verkleumd en fiets ik weer verder. En net op dat moment begint het weer keihard te regenen. Maar nú ga ik toch echt door, zelfs al staat de weg soms blank van het water. Ondanks dichtgeknepen ogen zie ik nog wel dat dit een mooi en ongerept dal is, dat kilometers lang slechts ruimte biedt voor een woeste bergbeek en de kronkelende weg waarover ik rijd.

Ten slotte bereik ik eindelijk het zonnige en brede Valle d’Aosta. Via de grote weg ben ik in mum van tijd in de oude stadskern van Aosta. Ik eet een toeristenmenu bij Ristorante-Pizzeria “Moderno”. Het voorgerecht, een simpele pesto pasta, gaat er goed in. Maar het hoofdgerecht, een volstrekt smakeloos en gortdroog stuk kip, is waardeloos. Gelukkig is het ijstoetje wel lekker. De camping blijkt een stukje hoger aan de weg naar de St Bernard te liggen en biedt uitzicht op Aosta (600 m). Ik drink drie bekers thee, luister naar het onweer dat inmiddels ver weg is, en duik mijn slaapzak in. Wat een dag!

Dag 7: Aosta > Martigny (78 km)

Het ontbijt bestaat uit een liter melk; brood moet ik ergens onderweg scoren. Terwijl ik nog door de buitenwijken van Aosta rijd, zie ik een lifter met een ingeklapte vouwfiets langs de weg staan. Ik roep: “Come on, cycle with me to Switzerland!” Enkele minuten later verschijnt hij opeens naast me! Hij heet Ingo, is Duitser, werkt in Algerije en is gisteravond met het vliegtuig naar Milaan gekomen om vervolgens via de Grote St Bernard naar Zwitserland te liften. Aan de andere kant van de tunnel heeft hij met een vriend afgesproken om te gaan rotsklimmen. Ingo fietst kilometerslang met me op, erg knap zo met die kleine wieltjes en een oude weekendtas achterop. Nadat we 300 meter hoger zijn gekomen stopt hij en gaat weer liften.

De pasweg is niet steil, en daardoor fiets ik eigenlijk wat te snel. Ik moet dat bekopen met bijna-kramp in mijn linkerbeen. Vanaf Étroubles (1.264 m), waar ik brood en chocola kan kopen, besluit ik in het lichtste verzet verder te fietsen, want ik heb geen zin in kramp met 1.200 meter klimmen voor de boeg. Bij de splitsing tussen tunnelroute en de pasweg gaat het regenen. Jammer van de laaghangende bewolking, maar het is zo wel fijner fietsen dan afgelopen week met die hoge temperaturen. Het meeste verkeer raast over een andere, overdekte weg die naar de ingang van de tunnel leidt. Men is de oude, rustige pasweg integraal aan het renoveren. Het is een komen en gaan van bulldozers, graafmachines en werkmannen.

Na dik vijfenhalf uur fietsen ben ik eindelijk boven (2.469 m). Het regent en het kwik duikt onder de 10 °C. Zoals gebruikelijk op Alpenpassen zijn ook hier Duitse Motorfahrer die na hun riesen Leistung foto’s van elkaar maken. Toll! Wat voor mij resteert is een lange afdaling. Het bovenste stuk is vrij steil en bevat nog haarspeldbochten, maar verder kan ik zonder bijtrappen of -remmen vele, vele kilometers op mijn gemak 50 kilometer per uur rijden. In Martigny douche ik op de lokale camping en neem ik extra vroeg de trein naar Basel, alwaar ik ’s avonds de nachttrein naar Nederland pak.