Categories
2007 IJsland

Binnen in IJsland

Rudi en ik fietsen in augustus 2007 in de zuidwesthoek van IJsland. De route voert ons onder andere door het sissende Kerlingarfjoll en het overweldigende Landmannalaugar. We rijden ook in the middle of nowhere over een verlaten jeep track. We leggen in drie weken tijd 1.000 kilometer af, waarvan ongeveer de helft onverhard.

Dag 1: Kevlavík > Grindavík (28 km)

Vandaag gaan we vanuit het warme (28 °C) Nederland naar IJsland! Op Schiphol staan we bij het inchecken in de langzame rij – een arrogante Amerikaanse vrouw voor ons neemt een kennel honden mee. De fietshoes blijkt erg handig. Je kunt de fiets met bepakking de hele rij meenemen, en pas vlak voordat je aan de beurt bent pak je ‘m razendsnel in. We hoeven gelukkig niet bij te betalen voor de paar extra kilo’s die we in de fietstassen meenemen. De retourvlucht kost 60 euro per fiets. We stappen als laatsten in het vliegtuig. Vanuit het vliegtuig kunnen we grote delen van Zuid-IJsland goed zien liggen. Ik heb de landkaart het afgelopen jaar zó vaak bekeken dat ik veel herken. De mannen die de bagage uit het vliegtuig halen gaan vrij hardhandig met onze fietsen om. Die van Rudi kwakken ze bovenop de kar, en bij de mijne is de fietshoes losgegaan. Ik had overigens wel het zadeltasje van de fiets af moeten halen, blijkt nu, want dit is open gegaan; gelukkig ontbreekt er geen gereedschap.

Als we de ontvangsthal verlaten, blijkt het toch wel wat frisser te zijn dan in Nederland: slechts 13 °C en er staat een straffe noordenwind. We fietsen naar camping Alex in Kevlavík en dumpen daar de fietshoezen en de tape. Dan nog een paar kilometer met harde zijwind over de [41] en vervolgens de afslag naar de [43]. Met de wind in de rug rijden we met hoge snelheid door uitgestrekte lavavelden, die het resultaat lijken van een ontplofte atoombom. De warmtekrachtcentrale en de toeristische attractie Bláa Iónid (‘Blue Lagoon’) laten we rechts liggen. We volgen de rode warmwaterpijpen richting Grindavík.

Op de primitieve camping aangekomen proberen we de tent op te zetten. Het waait hard, maar gelukkig is er nog één beschutte plek. Later die avond komen er meer tentjes en campers bij. Er is hier niets te doen, dus we gaan op verkenning uit. Eerst maar eens pinnen en daarna naar de lokale benzinepomp c.q. winkel c.q. frietkot ook wel bekend als N1. Er hangt een vieze vette lucht hier. De IJslandse barmeisjes ogen lui en verveeld. Er is natuurlijk niets te beleven in dit gat, dus ik kan me die houding wel voorstellen. Waarom er überhaupt mensen in Grindavík wonen is me een raadsel. Er komt een te dikke jeep aangereden. Er stappen te dikke IJslandse kinderen uit, die met hun te dikke ouders ijs komen halen. Wij willen ook vet inslaan en bestellen een broodje vlees met gebakken groenten, gebakken ei en friet.

Dag 2: Grindavík > Strandarkirkja (52 km)

Vannacht stond er een harde wind. Het tentdoek klapperde de hele tijd tegen mijn slaapzak. Volgens de weerkaart was dit nog maar een matige wind, dus dat belooft wat voor de komende weken. Iets na 07.00 uur staan we van ellende maar op. We eten noodles, drinken koffie en thee, en breken de tent snel af. De buren achter ons hebben pech: bij het afbreken laten ze de binnentent los. De harde noordenwind blaast de tent vervolgens binnen tien seconden over het huis aan de overkant van de weg. Wetende dat Grindavík aan de zuidkust ligt, dan kun je je wel voorstellen dat ze er hard achteraan hollen. Ze hebben geluk, want ze vinden de tent onbeschadigd terug. Volgende keer beter opletten!

De fietstocht langs de zuidkust over de [427] blijkt zwaarder dan verwacht, zeker de eerste zeven kilometer. Er staat een zeer harde wind. Vaak moeten we afstappen en de fietsen goed vasthouden. Mijn stuur schiet los. Na de vlucht heb ik ’m blijkbaar niet goed vastgemaakt, en mijn inbussleutel blijkt te kort voor het diepe gat. De volgende keer moet ik me beter voorbereiden… Ze zijn met de weg bezig, en we worden gezandstraald door het constructiezand dat naast de weg ligt. We komen een Japanner tegen die in zijn eentje rond IJsland gaat fietsen. Op een gegeven moment lopen we gedrieën tegen een flink steile helling op waar de wind vrij spel heeft.

Tijdens de afdaling gaat de weg over in onverhard. Dit betekent mul zand en grote keien. Na vijftien kilometer flink ploeteren volgt een kilometer of acht asfalt en wat vaker wind mee. Op de [42] wordt het mooier: links kliffen, rechts de zee en om ons heen de lavavelden. De lucht is kraakhelder: bij Herdisarvíkurhraun zijn zelfs de bergen van Mýrdalsjökull zichtbaar. Dat ligt hemelsbreed toch honderd kilometer verderop! Ook zien we al van grote afstand de vuurtoren waar de camping en een kerkje gelegen zijn.

We eten chili-con-carne soep en drinken een 2,25% bier bij de campingbazinnen. Zij praten alleen IJslands. Elke keer als ik hen in het Engels of Duits over het weer vraag, beginnen ze over water. Er is ook een chagrijnig Duits fietsstel dat niets terugzegt, en een Nederlands echtpaar van middelbare leeftijd. Na het eten wandelen we naar het pittoreske, aan de kust gelegen Strandarkirkja. Het pad gaat dwars door een broedgebied. Overal vliegen meeuwen die hun jongen op de grond coachen. Als wij aan komen lopen, worden ze behoorlijk vijandig. Ik gooi een steen omhoog, maar dan worden ze pas echt link. Het doet me denken aan de film The Birds van Hitchcock. Inmiddels hebben zich mooie wolken gevormd en is het vrijwel windstil. Na enkele dagen noordenwind wordt deze ingeruild voor enkele dagen zuidenwind. Dit proces zal zich vanaf vandaag blijven herhalen.

Dag 3: Strandarkirkja > Ulfljótsvatn (65 km)

We bevinden ons op de [42]: een lange rechte, wat eentonige weg dwars door een begroeid lavaveld. De kwaliteit van het wegdek is een stuk beter dan gisteren. Bijna de hele tijd is er wel een strook te vinden waar goed over te fietsen is. Net als gisteren worden we in stof gehuld wanneer er een auto voorbij komt. Als we even stoppen om foto’s te nemen, zien we dat de grond kurkdroog is. In IJsland is het de afgelopen paar maanden dan ook uitzonderlijk mooi weer geweest.

Na twintig kilometer onverhard komen we opeens op de asfaltweg [38]. Met de wind in de rug racen we naar Hveragerdi toe. Het landschap is niet bijzonder indrukwekkend: links zien we wat heuvels, en rechts ligt een grote vlakte. We kunnen minder ver kijken dan gisteren. In het plaatsje zelf eten we de lekkerste hamburger van de vakantie. Het Nederlandse stel dat gisteren bij ons de camping stond komt ook binnenvallen. Ze vertellen dat ze naar Landmannalaugar willen fietsen, van daaruit via de [F208] naar de kust en dan over de [1] weer terug. Als ik zeg dat ik heb gelezen dat je over de [F208] misschien wel 25 keer een rivier moet doorwaden, kijken ze me eerst ongelovig en daarna enigszins betrapt aan. Ze hebben namelijk geen waadschoenen of iets dergelijks meegenomen.

We slaan nog even wat eten bij de benzinepomp in, en gaan dan over een vervelend en druk stuk van de ringweg [1] richting Selfoss. Bovenaan een heuvel staan veel witte kruisen en één babykruis, maar een kerkhof is het niet. Vreemd… We maken een foto van het regiobord met waarop alle winkels en campings in de omgeving staan aangegeven; dan hoeven we dat ook niet meer op te schrijven. Vlak voor het oninteressant gelegen Selfoss slaan we linksaf naar de [35] en pakken vervolgens de [36] richting Þingvellir.

De camping in Ulfljótsvatn aan de zuidkant van het grote meer Þingvallavatn is mooi en ruim. Er zijn lekkere douches met zwavellucht. Terwijl we hier frisbeeën worden we lastiggevallen door kleine vliegjes, die niet steken maar wel kriebelen. In het kooklokaal zorgen luidruchtige Engelse en Italiaanse scouts voor leven in de brouwerij. We eten rijst met tonijn in tomatensaus en asperges: een gekke combinatie, maar het smaakt goed.

Rudi en ik wikken lang over de te volgen route. Het blijkt dat we in het dorp waar we morgen komen misschien voor twaalf dagen eten moeten halen. Mooie binnenlandroutes zijn, zoals we eerder al wel hadden begrepen, lastig te combineren met supermarktlocaties.

Dag 4: Ulfljótsvatn > Laugarvatn (60 km)

Ondanks het overwegend bewolkte weer is de rit rondom Þingvallavatn mooi. Het eerste stuk vanaf Ulfljótsvatn over de [360] is weliswaar onverhard, maar over het algemeen prima te rijden. We zien mooie bergcontouren aan de noordoostzijde van het meer. Van grote afstand zie je in het westen de stoompluimen van de warmtekrachtcentrale bij Nesbúd die Reykjavík via dikke pijpleidingen van warm water voorziet. Daarna moeten we flink omhoog fietsen. We komen langs bizarre rotsformaties met diverse kleuren: roze, paars, oker en grafietzwart.

De weg [360] langs de westoever gaat de hele tijd op en neer. Er zijn veel zomerhuisjes in aanbouw; het is hier goed toeven. Vanaf het moment dat we over de bredere [36] verder gaan, wordt het fietsen door de lange rechte stukken saai. We vinden een plekje uit de wind om ons drie dagen oude brood op te eten. Maar dat gaat zo snel niet. Ik haal alle tassen binnenstebuiten om de Leatherman te vinden, en daarna blijkt de Fred & Ed chocopasta ergens verstopt te zitten. Een eenmaal gevonden blijkt IJsland te koud voor deze knijppasta.

Dan Þingvellir, een van de grote toeristische trekpleisters van het land. In dit zes kilometer brede dal is goed zichtbaar hoe de aardschollen van Eurazië en Amerika in de afgelopen miljoenen jaren uit elkaar zijn geschoven. Er loopt een lange kloof met wanden tot misschien wel vijftien meter hoog. Hele busladingen toeristen worden hier gedropt. Ze willen allemaal op hetzelfde plekje die ene beroemde foto met op de achtergrond de kloof maken. Ik wil hier snel weg.

Via een voetpad bereiken we de [361]. De weg slingert zich door het breukdal. Overal zien we kleine breuken, veel groen, mooi uitzicht op het meer, en nauwelijks auto’s. De [365] naar Laugarvatn betekent gestaag iets van tweehonderd meter klimmen. De lucht wordt steeds grauwer, alsof het elk moment kan gaan regenen. Dit gebied doet me denken aan de North Pennines in Engeland. Bovenop is de weg eerst een tijd vlak en gaat dan opeens zeer steil naar beneden naar een mooie vallei (Laugarvatnsvellir) met interessante bergen aan de linkerzijde. Op de saaie camping in Laugarvatn eten we spaghetti met zalm, soepgroente en saus. Lekker! Daarna gaan we inkopen doen.

Dag 5: Laugarvatn > Gulfoss (40 km)

Vanmorgen hebben we alle 22 noodlezakjes gecrushed en in één grote zak gedaan. Dat scheelt behoorlijk wat volume. Ook pakken we de andere etenswaren in. Ook al zijn de fietsen nu vrij zwaar beladen, toch is er in de fietstassen en rugzak nog wat ruimte over. Daarom gaan we nogmaals naar de supermarkt. Helaas is het verse brood al op … Gelukkig verkopen ze ook kleffe, extra lang houdbare donutbroodjes zonder donut, volkoren koekjes en muesli. De boodschappen van gisteravond en vanochtend kosten bij elkaar 150 euro. De winkelprijzen in Laugarvatn liggen ongeveer drie maal zo hoog als rondom Reykjavík. We willen er twaalf dagen mee gaan doen, en dan vallen de uitgaven wel weer mee. Bij de kassa worden we geholpen door een dikkige all-American IJslandse knul met vet haar en verveelde blik. Hij draagt een zwart T-shirt met daarop “If you fear death – You can’t enjoy living”. Het volgende ogenblik, waarin twee politieagenten de winkel binnenkomen en de dude vragen stellen, doet me denken aan de sfeer in de televisieserie Twin Peaks. Het gaat er in Laugarvatn relaxed aan toe.

Nadat we ook deze proviand in de tassen hebben gekregen, gaan we over de [37] en daarna [35] richting Geysir. De weg is eenvoudig met slechts enkele flauwe klimmetjes. We maken een paar foto’s bij een ‘wolkenmachine’. Waarschijnlijk doet deze met het hete grondwater iets nuttigs, maar wat precies dat weten we niet. Heel in de verte zien we besneeuwde bergtoppen. Bij Geysir aangekomen halen we nog wat extra Marsen, Snickers en chips; het belooft een calorierijke vakantie te worden. Zoals verwacht is het hier een toeristisch circus. Rechts van de weg bevinden zich een wegrestaurant, een kiosk, logies en veel parkeerplaatsen. Aan de overkant is een weide met allerlei poeltjes en stroompjes, sommige met blauwzilverachtig water en met borrelgeluid. De grote Geysir kon vroeger tot zeventig meter hoog spuiten, maar is al jaren niet meer potent. Zijn kleine broertje de Strokkur gelukkig wel. Om de vijf minuten komt er een kleine of grote fontein uit, tot wel dertig meter hoog. De bezoekers staan strategisch opgesteld, zodat ze niet nat worden. Rudi maakt opeenvolgende foto’s waarop je de uitbarsting stapsgewijs kunt zien groeien

Hierna fietsen we via de [35] naar Gulfoss. We zien de imposante ijskap van Langjökull liggen. Het lijkt alsof piramideachtige bergen deze ijsmassa maar net kunnen tegenhouden. Bij Gulfoss begint het te regenen. Er is hier geen camping, maar gelukkig vinden we achter het sanitairgebouw een goed plekje. ’s Avonds kopen we voor omgerekend 10 euro een bier en cola. Rudi leest een melig boek van Herman Brusselmans over een alcoholist. Rudi personifieert zich blijkbaar zo met de hoofdpersoon dat hij dreigt te ontsporen als hij een dag geen bier krijgt. We nemen ook maar een lamsoep van 15 euro per stuk, overigens wel inclusief een minibolletje. De bombastische muziek op de achtergrond lijkt wat misplaatst gezien de nevel buiten. Voordat we weggaan bedelt Rudi bij de bediening met succes om een aantal oude broodjes.

Dag 6: Gulfoss > Hvítárvatn (47 km)

Vanmorgen bezoeken we eerst de waterval van Gulfoss. Dit is een heel brede waterval met een flink verval. Het is echt indrukwekkend hoe woest een rivier kan worden. Wederom komen we de fietsende Japanner tegen die we de tweede dag en bij Geysir ook al zagen. Daarna gaan fietsen naar het noorden over de [F35], ook wel bekend als de Kjölur. Het is redelijk warm met 16 °C met zachte wind van opzij. De geasfalteerde weg gaat op en neer. Vlak voor een hoge bult moeten we plots naar beneden een rivier over. Jammer van de gewonnen hoogte. Zo’n twaalf kilometer na de start wordt de weg onverhard. De rest van de 35 kilometer wisselen redelijke stukken en zeer slechte stukken (namelijk wasbord en grote keien) elkaar af. IJslanders gaan er met hun personenauto, jeep of bus, en al dan niet met aanhanger gewoon overheen. Wij ploeteren voort.

Vanaf de rivier is het 350 meter klimmen naar de pashoogte op 610 m tussen de Geldingafell en de imposante Bláfell (1.204 m). De hele tijd houden we de grote ijsmassa van Langjökull in beeld. Na de pashoogte zien we in de verte het meer van Hvítárvatn. Nadat we de rivier de Hvítá zijn overgestoken, zijn we de bonkige Kjölur zo ontzettend beu, dat we besluiten de jeep track naar de camping aan het meer te nemen. Deze blijkt de eerste vier kilometer echter nóg slechter: mul zand, keien, en door paardenhoeven veroorzaakte kuilen. We moeten af en toe een stukje lopen. Rudi blijft racen, en verliest als straf een bout van zijn bagagedrager.

Eindelijk komt dan de camping in zicht. Nou ja, camping… het is een zeer idyllisch gelegen huisje waarom heen je je tentje kunt opzetten. Er is een schijthuisje met wc-papier. En er is ook een bron waar je schoon water uit kunt halen. Er zijn al twee Zwitserse wandelaars en een erg aardige Franse fietser met bagagekar. Later die avond arriveren gasten voor het huisje zelf. Het uitzicht is fantastisch: overal bergen, water, gletsjers, weiden. We eten chili-con-carne met rijst en salami. Mijn gouden tip om de rijst en saus samen gaar te maken (“Dat is efficiënt Rudi, begrijp dat dan!”) blijkt waardeloos. Het resultaat: we verbruiken meer gas, de pan koekt aan en de rijst wordt niet gaar.

Dag 7: Hvítárvatn > Hveravellir (53 km)

Deze vakantie miezert het vaak ’s nachts en houdt de regen zo rond 07.00 uur weer op, evenals vandaag. We staan om 07.30 uur op. Eerst smeren we de fietskettingen. Deze roesten erg hard, vooral die goedkope van mij. We nemen afscheid van deze fraaie kampeerplek en nemen we de jeep track richting de Kjölur. We waden door onze eerste rivier, de Svartá. Het water blijft tot onder de knieën, zodat we de tassen er niet af hoeven te halen.

De 49 kilometer van de [F35] zijn verschrikkelijk bonkig. Waar het op een ‘normale’ onverharde weg de kunst is om een smal fietsbaar strookje te vinden, blijkt dit vandaag vaak niet mogelijk. Na onze ervaring met de kapotte fietsdrager van Rudi fietsen we nu vrij voorzichtig de heuvels af, met een lage gemiddelde snelheid tot gevolg. Doordat we zo geconcentreerd op de weg letten, moeten we stilhouden om van het landschap te kunnen genieten. En dat wordt steeds mooier: voor ons zijn meerdere ijskappen, en in de verte de voor IJslandse begrippen steile toppen van de Kerlingarfjöll.

Het is opvallend dat de Kerlingarfjöll net als gisteren de hele tijd in de zon ligt te baden, terwijl het elders overwegend bewolkt is. Het lijkt daar wel een oase. De rivier aan de rechterzijde, de Jökulfall, meandert mooi door het landschap. Twee Spaanse fietsers vertellen ons bovenop het uitzichtpunt voorbij de afslag naar Kerlingarfjöll dat in hun vliegtuig uit Barcelona wel tien fietsers meegingen. Fietsen op IJsland is blijkbaar erg populair in Catalonië. Eerder kwamen we al zeven Spanjaarden tegen, dus de stand is 9 voor Spanje, 6 voor Nederland (inclusief wijzelf), 2 voor Duitsland en 1 voor zowel Frankrijk als Japan. Tot zover deze zinloze statistiek.

Op het moment dat de Kjölur van een bar slechte in een aanvaardbaar slechte onverharde weg overgaat, nemen wij de afslag naar de camping. Bij Hveravellir zijn er hot spots, plekken waar heet water uit de grond komt borrelen. Bij één hot spot is een hot tub gemaakt: een soort bad van 4 x 4 m. Het water schijnt erg heet te zijn. We eten spaghetti bolognese met salami, en dat gaat er goed in. Rudi gaat naar het supermarktje van de vriendelijke campinguitbater, en haalt yoghurt, cola, chips en bier.

Dag 8: Hveravellir (rustdag)

Het weerbeeld op IJsland heeft twee alternerende standen: de ene week noordenwind en de week erop zuidenwind. Vanaf vandaag waait er een vrij stevige noordenwind. We hadden ons voorgenomen om in het gebied mineralen te gaan zoeken, maar het is zo bewolkt, mistig en koud (6 °C) dat we er een rustdag van maken.

We gaan eerst maar eens foto’s maken. We beperken ons tot het stuk achter de hot tub, waar allerlei bronnen pruttelen. We zien fluorescerend gele en oranje strepen over de witte krijtsteen. Heel grappig is een in witte laagjes opgebouwde minivulkaan van ongeveer eén meter hoog die continu onder hoge druk stoom blaast. Ook zien we een kratertje van anderhalve bij anderhalve meter gevuld met felblauw water. Men heeft een houten pad aangelegd om de broze pulversteen te beschermen. Maar dan komt er een buslading luidruchtige Italianen die vooral buiten het pad lopen en het door de kou al na vijf minuten voor gezien houden. Ik geef toe: ook ik ben verkleumd en heb er geen zin meer in. Op dus naar de tent om een boek te lezen. Rudi blijft nog een uur langer buiten om te fotograferen.

’s Middags nemen we een bad in de hot tub. Aan weerszijden van het bad hangen twee buizen, één met superkoud en de ander met superheet water, die je naar eigen voorkeur boven of naast het bad kunt positioneren. Omkleden doe je hier gewoon buiten. Rudi steekt een voet in het water maar dat is al te heet! Heel voorzichtig went hij aan de temperatuur van het water en dan gaat hij helemaal erin. Daarna probeer ik het ook maar. We waden wat rond, en komen erachter dat we op de heetste plek het bad in zijn gegaan. Al snel vinden we het heerlijk: buiten het bad heersen gure weersomstandigheden, maar in het water is het behaaglijk. Enkele Britten op leeftijd doen hun zwemkleding aan en komen er ook in. Zelfs een beeldschone Zweedse maakt haar opwachting. Het wordt nog gezellig. Op een gegeven moment kunnen onze lichamen hun warmte niet meer kwijt, en krijgen we koppijn. We gaan er dus weer uit.

Na een tijdje in de tent raken we helemaal verkleumd. We lopen naar de verwarmde hut om ‘onbeperkt’ koffie te drinken. We kletsen wat met de Duitse studentes Eva en Susanne, die zojuist met de bus zijn aangekomen. Na een kop koffie en drie refills nodigen ze ons uit in hun slaapvertrek om met ons te gaan kniffeln. Pardon? Ach ja, waarom ook niet, zo’n kans krijgen we niet vaak. Tot onze verbazing blijkt het ‘kniffeln’ de Duitse naam voor Yahtzee te zijn. Dat spelen we totdat de campingbaas zegt dat de dames naar de andere hut moeten. Er komt namelijk een lading Spanjaarden onaangekondigd aan, en hij wil ze in deze kamer huisvesten. Gelukkig is de andere hut veel gezelliger. We koken samen en maken het kniffeln af. Na een paar potjes arschlochen is het tijd voor een tweede bad.

Tot 23.30 uur badderen we met een man of vijftien in de hot tub. De enige echte IJslander in het bad doet alsof hij de baas is en wil de heetwaterbuis buiten het bad houden. Hij vertelt dat het in juni en juli uitzonderlijk warm en droog is geweest in heel IJsland. Hij zit net als veel landgenoten bij een 4 x 4 jeepclub en rijdt regelmatig naar de ijskappen. Je kunt dan meten hoe snel de ijskappen als gevolg van de opwarming van de aarde smelten: 500 meter in tien jaar, en alleen het afgelopen jaar al negentig meter! Nog honderd jaar zo doorgaan en IJsland kan een andere naam kiezen.

Dag 9: Hveravellir > Kerlingarfjöll (42 km)

Traditiegetrouw komen we de tent pas uit zodra het regenen is gestopt. Rudi haalt brood en Snickers. We eten brood, breken de tent af, controleren de fiets en smeren de ketting. Wat roesten die fietskettingen toch hier. Ook andere fietsonderdelen beginnen te roesten. Lui als we zijn gaan we pas om 11.00 uur weg. Op de [F35] volgen we het ‘ideale’ spoor van drie Italianen die een half uur eerder zijn vertrokken. In de verte zien we regenbuien dichterbij komen. Wat ziet dat er prachtig uit! Een half uur later zitten we midden in de nattigheid. De temperatuur daalt tot 6 °C en dat blijft het een paar uur lang. Ik doe nu pas mijn waterdichte handschoenen aan, maar dat is lastig met natte handen. Rudi heeft alleen fietshandschoentjes aan, brrr…

In de verte schijnt in Kerlingarfjöll steeds volop de zon. We krijgen genoeg van de Kjölur, zeker de laatste 10 km tot aan de afslag naar Kerlingarfjöll met stukken puinhelling van 13%. De [F347] naar Kerlingarfjöll is overigens niet beter. We stuiteren met onze ongeveerde en veel te zwaar beladen fietsen vooruit. We steken een klein stroompje over en passeren een vliegveld – slechts een hutje met een paar markeringen. De waterval van Gýgjarfoss gaat via wilde stroomversnellingen verder door een canyon. Aan de bovenloop ervan is een goed doorwaadbare plaats. De weg wordt steeds slechter en is soms erg steil; veel duwen dus. Gelukkig ontvouwt zich nu een prachtig landschap. Licht en donker wisselen elkaar in rap tempo af. We fietsen, tussen de ijskap Hofsjökull en de bergen van Kerlingarfjöll in, steeds verder omhoog.

De doorsteek vlakbij de camping is recent overbrugd. Eindelijk zien we de camping en de vakantiehuisjes die bijzonder fraai zijn gelegen. De prijs is minder fraai; dit wordt de duurste overnachting van de vakantie. In de jeugdherberg is een restaurantje met een onaantrekkelijk menu, en levensmiddelen verkopen ze niet. Dan maar een Bevermaaltijd nasi met extra zilvervliesrijst. Als de rijst maar niet gaar wil worden, kijk ik op de verpakking en schrik: 45 minuten kooktijd! Wie heeft dat bedacht? Dan gaan we om iets over achten naar de badhut. Daar aangekomen blijkt het bad al om 18.00 uur gevuld te zijn; het water is nu lauw. Gelukkig is de douche wel heet. Buiten is het helder en koelt het snel af: om 22.00 uur is het 2 °C en in de tent is het niet veel warmer.

Dag 10: Kerlingarfjöll (rustdag)

Het is prachtig weer vandaag! We besluiten deze wandeldag rustig te beginnen, omdat het licht om mooie foto’s te maken pas in de loop van de middag beter zal worden. We gaan daarom eerst maar eens een paar een uur koffie drinken in het restaurant, en bekijken eerder gemaakte foto’s. Volgens de dames van het restaurant is het in de zomer zelden zulk mooi weer: “Cold and crispy air”. Terug bij de hut is de was die we twee uur geleden hebben opgehangen alweer droog.

Men heeft in dit markante berggebied diverse wandelpaden uitgezet. Wij kiezen pad nr. 7 en beklimmen de heuvel achter de camping. Het uitzicht op het weidse Kjölurgebied is indrukwekkend. Na een paar uur lopen zien we opeens stoom. Wij kijken nu over de heuvelrand en zien een prachtige vallei met een meanderend beekje, lavagesteente, stukjes groen, plukjes sneeuwvelden en allerlei hot spots. De zon breekt nu helemaal door en zal de rest van de dag blijven schijnen. We lopen op een heuvelrand langs twee kraters van elk een doorsnede van een meter of drie. In de ene borrelt modder en de andere is te diep om te zien wat er in zit. Het stinkt flink naar zwavel. Het pad voert ons over heuvelranden, door valleitjes en over beekjes naar steeds mooiere plekken. Overal zien we kleine kratertjes, en op veel plekken komt stoom uit de grond. We zien ook veel kleuren: krijtwit, lichtgeel, lichtgroen, paars… Om 18.00 uur is het licht op zijn mooist. We maken veel foto’s.

Om 19.00 uur bereiken we de jeeptrack hoog op het plateau. We volgen deze hobbelweg ongeveer zeven kilometer tot aan de camping. Tijdens de terugtocht genieten we van het mooie vergezicht naar het noorden en westen. Vlak bij de camping lopen we langs een diepe kloof. Het is jammer dat het te donker wordt om deze mooi op de foto te kunnen vastleggen. Terug op de camping voelt het door de windstilte lang niet zo koud als gisteren. Na een snelle douche gaan we pasta bolognese eten. Wat een perfecte dag was dit!

Dag 11: Kerlingarfjöll > Fjórdungssandur (38 km)

Ondanks goede voornemens fietsen we pas om 10.30 uur weg. Vandaag start onze driedaagse tour over een jeeptrack die ik op het spoor was gekomen dankzij een website van een Nederlander. De snoeiharde noordenwind blaast ons op de heuvel bij de afslag naar de camping bijna van de weg. Dan gaan we omlaag naar het noorden, het deltagebied tussen de Kerlingarfjöll en de ijskap Hofsjökull in. De eerste vijf kilometer zijn afwisselend en intensief, met veel kleine klimmetjes en enkele eenvoudige beekdoorsteken. We hebben een nieuwe tactiek: één persoon duwt beide fietsen door het water, dan hoeft de ander geen waadschoenen aan te doen.

Na een kilometer of tien verandert het landschap ineens van delta (water, gras, drassig) naar steen, steen en nog eens steen. We vandaag stenen in alle soorten en maten: groot, klein, rond, hoekig, lava, glanzend, dof, scherp, glad, hard, zacht… De wegkwaliteit is soms goed, soms barslecht, maar meestal gewoon slecht. Een belangrijk voordeel van deze relatief weinig bereden weg is dat deze geen wasbordprofiel heeft. Een enkele keer is het spoor wat vaag of zien we juist meerdere sporen, maar in de verte is eigenlijk altijd wel een paal te zien die ons de juiste wijst.

De grond is veel droger dan we hadden verwacht. Op onze kaart staan allerlei stroompjes, en ook een reisverslag op internet maakte daar melding van, maar we zien toch echt alleen droge beddingen. Na exact 25 kilometer arriveren we bij een hut van de 4 x 4 club: daar zouden ze toch water moeten hebben. De hut ziet er van buiten spik-en-span uit, maar we kunnen er niet in. Hmmm… Dan maar doorfietsen. Het landschap is echt fantastisch. Je kunt zó ver kijken: in het noorden de ijsmassa Hofsjökull, in het westen de besneeuwde toppen van de Kerlingarfjöll, ver weg in het oosten achter de Sprengisandur de vulkaankegels Nyrdri-Háganga (1.278 m) en Sydri-Háganga (1.284 m), en 65 kilometer zuidwaarts duidelijk zichtbaar de Hekla (1.491 m). En daartussen tientallen kilometers steenwoestijn. We zien veel kleine groepjes ganzen vliegen en vinden ook veel ganzensporen langs de weg.

Op bijna tien kilometer na de hut zien we eindelijk een klein meertje. Ik gebruik de Ortlieb waterbuidel hier voor het eerst. Nu we water hebben kan deze dag niet meer kapot, ondanks de vele stukken duwen door het mulle zand. Maar hoe vinden we een goede kampeerplek? Het zand is veel te los, er liggen allemaal grote keien en het waait flink. Zelfs sneeuwharingen zullen niet veel stevigheid bieden. Gelukkig zien we na een paar kilometer een meertje waar we de tent op een drassig stukje mosgrond kunnen opzetten. Een mooie zonsondergang vormt de beloning van deze bijzondere fietsdag waarop we helemaal niemand zijn tegengekomen!

Dag 12: Fjórdungssandur > Gljúfurá (42 km)

Het was fris vannacht, want het mos waarop we sliepen gaf veel kou door. Maar met thermo ondergoed en sokken aan in de donzen slaapzak was het wel te doen. We horen ’s nachts regelmatig ganzen over vliegen. ’s Morgens warmen we snel op, pakken de tent in en gaan met een fikse rugwind op pad. De weg blijft onverminderd bar en boos met dat mulle zand. Dan doemen opeens twee Unimags op: een Duitse ‘expeditie’. Eén van de Duitsers lijkt op Dr Jekyll – scary! Na een vriendelijk “Auf Wiederschauen” over en weer vervolgen ze behoedzaam hun weg.

Na een paar kilometer verandert de omgeving langzaam van steenwoestijn in een gevarieerder en vriendelijker landschap met in de verte af en toe plukjes groen. Het eerste tastbare groen komen we tegen bij de rivier Kisa. We trekken de surfschoenen en Teva-sandalen aan voor dit eenvoudig te doorwaden riviertje. De weg wordt nu beter en afwisselender. Het sleuren door het mulle zand is voorlopig voorbij. Na 58 kilometer passeren we een beek waar we onze schoenen niet voor hoeven te verwisselen. Vlak daarna komen allerlei stroompjes zo uit de grond. We volgen deze stroompjes en komen uit bij een mooi stuk van de rivier de Miklilaekur. Midden in de rivier staat een grappige overhangende rots. Als we onze weg vervolgen, moeten we genoemde rivier over. Deze is alweer een stukje breder en dieper, maar het doorwaden gaat soepel.

Nadat we de hut van de 4 x 4 club via een steile helling aan onze linkerzijde hebben gelaten, komen we al snel uit bij de Dalsá. Deze is ongeveer 80 meter breed, en zal onze enige serieuze rivier van de hele vakantie blijken. De lange broeken gaan uit en we starten onze verkenning. Er staan in een ruime boog stokken in het water die de beste route aangeven. De mooie gekleurde stenen – sommige blauw en oranje – zijn soms best glad. We brengen eerst de voortassen naar de overkant, en daarna halen we de fietsen. Het gaat allemaal niet snel, maar dat maakt niet uit, want het rivierwater is hier niet echt koud.

Na de rivierdoorsteek volgt een aantal kilometers relatief goede weg, met slechts af en toe stukjes rots. De rivier de Geldingaá steken we in twee etappes over. We zien voor het eerst weer sporen van andere fietsers. Na nog een paar kilometer slechte weg zien we links vlak bij de Pjorsá canyon een hut. De hut is open, maar er is niemand. De hut is van een paardrijclub en heeft stallen met hooi. We besluiten onszelf te verwennen en hier te overnachten. We zetten één van de gaskachels aan en eten elandvleesschotel met extra aardappelpuree. Voor het eerst in vele dagen slapen we op comfortabele matrassen.

Dag 13: Gljúfurá > Hrauneyjafoss (47 km)

’s Ochtends is het prachtig weer en besluiten we het gebiedje tussen de hut en de canyon van de Þjórsá te verkennen. De beek Gljúfurá stort zich via verscheidene watervalletjes in de rivier. Helaas zien we de Þjórsá zelf slechts van grote afstand, evenals de Gljúfurleitarfoss, de grote waterval die wat verder naar het noorden toe is gelegen. De afstanden zijn te groot om binnen afzienbare tijd naar beneden en terug te gaan. Omdat we hier per slot van rekening zijn om te fietsen, gaan we snel terug naar de hut.

We fietsen pas om 12.00 uur weg. Op het onverharde stuk komen we vandaag niemand tegen. We steken enkele riviertjes over. Slechts één is zo diep dat we de waadschoenen aan moeten doen. De weg is een stuk slechter dan gisteren. Er liggen heel veel losse keien en steenscherven op de weg. We worden er behoorlijk chagrijnig van. Gelukkig maakt het uitzicht op de Hekla in de verte veel goed.

Op een gegeven moment komen we bij een driesplitsing: één weg buigt naar links, en de andere naar rechts. Op de kaart staat alleen een doorgaande weg die naar rechts buigt, maar de linker ziet er beter begaanbaar uit. We besluiten de kaart te volgen. Slechte beslissing! Het zal het slechtste pad van de vakantie worden. Kilometers lang stuiteren we de berg af. Toch blijven de fietsen heel, zo lijkt het althans… Na het meer volgt een vrij forse beklimming van drie kilometer lang, gevolgd door een net zo lange afdaling naar de gebouwen van de waterkrachtcentrale. Het einde van de jeeptrack is hiermee bereikt.

Jeep track (km):

000  Ásgardsfjall (startpunt, camping)
010  Einde delta, stenen landschap begint
025  Setur, afslag naar hut 4 x 4 club (links 2 km)
038  Kampeerplek aan meer (links 300 m)
043  Kruispunt bij heuvel Nordlingaalda
051  Rivier de Kisa
058  Rivier de Miklilaekur
060  Hut 4 x 4 club
062  Rivier de Dálsa
072  Beek de Geldingaá
080  Hut paardenclub (links 650 m)
093  Rivier
098  Meer
106  Sultartangastöd (eindpunt)

Opgelucht na de slechte jeep track kust Rudi zichtbaar geëmotioneerd het asfalt. Het lachen vergaat ons als blijkt dat we nog twintig kilometer lang tegen de harde wind in over de [32] en de [26] naar het noordoosten moeten fietsen. We gaan om beurten steeds een kilometer lang op kop en we halen op dit stuk een gemiddelde snelheid van krap twaalf kilometer per uur.

Nadat we eindelijk bij Hrauneyjafoss zijn aangekomen, blijkt er in tegenstelling tot wat de landkaart ons laat zien geen camping te zijn. En we mogen absoluut niet op het terrein van dit jeugdherberg/hotelcomplex staan. We eten hier nog wel een enorme hamburger met friet van maar liefst 1.450 kronen, kopen wat brood, melk, chips en chocola, en scheren ons. Twee Zwitserse fietsers adviseren ons morgen terug te gaan over de [F26] en dan de [F225] richting Landmannalaugar te nemen. Die weg zou beter zijn dan [F208] die we morgen willen nemen. We zien ook een Duitser die we eerder bij Hveravellir tegenkwamen. Hij gaat het advies van de Zwitsers opvolgen. Wij slaan het advies in de wind, en fietsen verder naar het noordoosten.

Waar vinden we een beschutte plek? Rechts is een wat lager gelegen weiland, dat ziet er mooi uit. O nee, het blijkt een overloopgebied voor de rivier. Dan vinden we na een paar kilometer een plek achter een wal. We zetten de tent al bijna neer, tot Rudi erachter komt dat dit een helikopterplatform is. Misschien ook geen handige plek. Dan maar weer naar de andere kant van de weg, waar we gelukkig achter enkele van de zeldzame IJslandse boompjes kunnen staan. De tent staat perfect hier. We hebben uitzicht op de ondergaande zon en de Hekla. Het is 10 °C, een stuk warmer dan in het hoogland. Heerlijk.

Dag 14: Hrauneyjafoss > Landmannalaugar (39 km)

We staan op als het weer vrij zonnig is. Na het ontbijt frisbeeën we even de armen los, breken de tent af, pakken de spullen in en gaan op weg. We gaan langs allerlei waterkrachtcentralewerken heuvel op en af naar de afslag naar Landmannalaugar. De [F208] is over het algemeen slecht: veel wasbord, los grind en gruis. Jeeps hullen ons in stofwolken. Duwen hoeft gelukkig maar af en toe. We fietsen langs stuwmeren met op de achtergrond de Hekla. Na een moeizame klim op een puinhelling eten we boven onze boterhammen met tonijn op.

Het uitzicht naar het zuiden is indrukwekkend: de heuvels van Landmannalaugar liggen in de verte, en om daar te komen moeten we een kilometers brede lavavlakte oversteken. Het lijkt wel Mordor in de verfilming van ‘In de Ban van de Ring’ – alleen de vuurspuwende Doemberg ontbreekt nog. Onze rust wordt bruut verstoord door een IJslander die een paar meter achter ons zijn busje parkeert en een stel toeristen uitlaadt. Hij laat de dieselmotor een kwartier lang stationair draaien – overigens een typisch IJslands gebruik. Ik zeg er wat van, maar hij trekt zich er niets van aan. Ik ben blij als hij eindelijk naar Mordor afdaalt.

We gaan verder over de zeven kilometer lange weg, die zich onder de elektriciteitsmasten door slingert. Deze weg leidt ons naar de andere zijde van het lavaveld, naar het nationaal park, waar we wat chocola eten. Daarna volgen vele kilometers lang zand, zand en nog eens zand. Op de paar fietsbare stukken haal ik snelheden van slechts vijf kilometer per uur. En nu gaat het nog regenen ook! De ellende vergeten als we dankzij die regen de mospatronen op de donkerbruine heuvels opeens fel zien oplichten.

Na het stuk met het mulle zand is er opeens een kruispunt, met nog een paar kilometer te gaan tot Landmannalaugar. Eerst fietsen we langs een meer en tegen een mooie berg op steil omhoog, en bovenop aangekomen zien we… Shangri-La! Een heus sprookjeslandschap ontvouwt zich voor onze ogen. We fietsen snel door een valleibreed grindbed en daar zien we onze overnachtingsplek. De camping heeft een geweldige ligging, maar de faciliteiten rechtvaardigen niet het hoge tarief. Er zijn slechts drie slechte douches voor heel veel campinggasten waaronder je je tegen betaling blootstelt aan een afwisselend koude/superhete straal. Als je niet in de rij wilt staan voor deze douches zijn er weliswaar wasbakken, maar daarboven hangt een briefje waarop staat dat je alleen je gezicht en handen mag wassen en je tanden mag poetsen. Nou ja…

Rudi komt erachter dat er een buts in zijn achterwiel zit, maar het ziet er naar uit dat de velg nog wel even mee kan. Laat op de avond komt overigens nog de Duitser aan die de langere route van Hrauneyjafoss naar Landmannalaugar heeft gevolgd. Hij klaagt dat het zo zwaar was. Tja, waarom fietst hij dan ook zo ver om? Slechte keuze! Helaas regent het de hele tijd en is het koud. We worden er hongerig van, en de spaghetti gaat er dus goed in. We eten ook nog rozijnen op, drinken een biertje en pakken een leesboek.

Dag 15: Landmannalaugar (rustdag)

Vandaag gaan we wandelen. We boffen erg met het weer: het is zonnig en er is nauwelijks wind.. Direct achter de camping gaan we het lavaveld in. Dit gebied is misschien wel een vierkante kilometer groot. Rudi en ik twijfelen over de te volgen route, en kiezen uiteindelijk een ongemarkeerd paadje dwars door het lavaveld. De lavaformaties steken tot tien meter boven ons uit. Gelukkig komen we af en toe met ons hoofd boven de lava uit, anders zouden we zo verdwalen.

De doorsteek van het lavaveld leidt ons naar een klein plateau met geel en groen waar veel stoom uit de grond komt. We beklimmen de daarachter gelegen heuvel met mooi gekleurde stroken; het lijkt wel alsof er een regenboog op geprojecteerd staat. Links van ons weer een bizarre lavaformatie, rechts midden op de heuvel een vreemde ‘schoorsteen’. Bovenop deze regenboogheuvel genieten we van het mooie uitzicht op het uitgestrekte landschap. Ik merk dat mijn Teva’s voldoende grip bieden tijdens het wandelen op de losse steentjes. Hierna gaan we weer naar beneden, steken een grindbed en beekjes over, en gaan via een steil geitenpaadje de meest beklommen heuvel van Landmannalaugar op.

Bovenop hebben we een fantastisch uitzicht op de heuvels in het hele gebied. De camping in de diepte wordt als het ware verzwolgen door de lavastroom. In de verte zien we een deltagebied liggen. En heel ver weg zijn de bergen van Kerlingarfjöll zichtbaar. Het landschap is kleurrijk: we zien geel, oranje, roze, muntgroen, donkergrijs en bruin. Tijdens het fotograferen komen we stomtoevallig de Duitse dames Eva en Susanne weer tegen. Toll! Ze hebben een dagje vrij genomen van hun vakantiewerk in Selfoss en zijn naar Landmannalaugar gegaan. We dalen samen af, en we doen wat inkopen in de bus waarin een winkeltje gevestigd is.

Na een overvloedige Bevermaaltijd – gehaktschotel met extra aardappelpuree voor in de oven – scheren we ons en zijn we klaar voor de volgende vier dagen onverhard fietsen. We hebben een hele mooie route in gedachten die ons via de [F208] naar het zuidoosten en de [F233] en [F210] weer terug naar het westen voert. We hebben op internet geen verslag van fietsers kunnen vinden, en dat maakt het extra spannend.

Dag 16: Landmannalaugar > Selfoss (132 km)

Om 10.00 uur vertrekken we vol goede moed. De [F208] is het eerste stuk prima. Maar dat zal nog wel veranderen, want we hebben gehoord dat we vandaag misschien wel 25 rivierdoorsteken tegenkomen. Na 4,4 kilometer stop ik om te vieren dat we er al weer 10% van de geplande dagafstand op hebben zitten. Maar waar is Rudi? We hadden afgesproken dat we elkaar altijd in het zicht houden en zwaaien als er iets aan de hand is. Ik kijk achterom en zie hem een heel eind terug stil staan. Is er iets aan de hand of staat hij zoals zo vaak foto’s te maken? Na een paar minuten turen fiets ik terug. Wat blijkt? Rudi’s achterwiel, waar al een buts in zat, heeft het nu helemaal begeven. Verder fietsen is geen optie, en onze droometappe kan niet doorgaan. Balen! We spreken af dat Rudi met de bus van Landmannalaugar naar Selfoss gaat. Daar is de enige fietsenmaker van Zuid-IJsland. Ik zal naar Selfoss komen fietsen, wat me naar verwachting twee dagen zal kosten.

Rudi loopt de paar kilometer terug naar de camping. Hij zal daar Eva en Susanne weer tegenkomen, samen met hen gaan wandelen en de bus van 14.30 uur pakken. Hij hoeft niet voor de fiets bij te betalen en betaalt voor deze rit slechts 3.700 kronen. Rudi is om 17.30 uur al in Selfoss. Hij deelt op de camping de maaltijd met twee andere Duitse dames.

Ik begin aan de [F225], die van Landmannalaugar naar de [F26] voert. Deze onverharde weg is op enkele stukjes wasbord en keien na prima te doen. Ik fiets als een speer. Het gemiddelde ligt veel hoger dan op andere dagen; het is een weg voor luxepaardjes. Op de donkere heuvels zijn felgroene mospatronen zichtbaar. Ik steek enkele riviertjes over, maar deze zijn slechts enkeldiep, zodat ik mijn Teva’s met waterdichte Sealskins gewoon aan kan houden. Enkele beekjes fiets ik gewoon door zonder af te stappen. Het landschap wordt daarna ruwer, met vulkaanstenen en grote rotsen. Na 37,5 kilometer eet ik zes boterhammen met sardientjes in tomatensaus. Na een week slechts vier boterhammen per persoon per dag te hebben gegeten is dit een verwennerij. En ik ga er absoluut beter van fietsen.

De [F225] wordt gedurende de laatste dertien kilometer wat slechter. De [F26] blijkt vele malen beter berijdbaar dan de Kjölur, zeker als er na twaalf kilometer asfalt is. De bus waarin Rudi zit haalt mij hier in zonder dat ik het door heb. Het is maar een paar kilometer tot aan de slaapplaats. Maar het is nog veel te vroeg om te stoppen. Ik kijk op de kaartjes en constateer dat het naar Selfoss nog 65 kilometer over asfalt tijden is. Die drie uurtjes kunnen er nog wel bij. Okay, ik ga dus naar Selfoss. Tussen de 75 en 95 kilometer is het even zwaar vanwege de zijwind. Daarna kan ik de ringweg [1] nemen. Achter mij ligt het regengebied, voor mij is licht bewolkt en in de verte zie een blauw gat in de lucht: daar moet Selfoss liggen! Het is nu nog even flink doorfietsen op deze saaie, maar goed begaanbare weg. Er komen wel honderd jeeps en pick-up trucks met enorme paardentrawlers langs. Op de een of andere manier heb ik gemist dat vandaag blijkbaar IJsland’s Nationale Paardenfeest wordt gevierd…

Na zevenenhalf uur en 130 kilometer fietsen arriveer ik bij de camping in Selfoss, waar ik Rudi met twee Duitse dames zie keuvelen. Ik bestel een instant spaghetti en klets wat met de dames. Zij hebben hun fietsvakantie er bijna opzitten. Met hun geveerde mountainbikes hebben ze alleen over asfalt gereden, en de stukken onverharde weg met de bus gedaan. Ze gaan de laatste twee dagen naar het vliegveld ook niet meer fietsen. Laat je fiets dan toch thuis, denk ik dan. Ik neem een goede en gratis douche, en daarna drinken we nog wat thee in het kooklokaal.

Dag 17: Selfoss (rustdag)

Rudi gaat ’s ochtends naar de fietsenmaker in Selfoss. Deze heeft helaas geen 28 inch wielen in zijn assortiment. Rudi belt vervolgens naar een fietsenmaker in Reykjavík, 60 kilometer verderop. Deze heeft weliswaar 28 inch wielen, maar alleen geschikt voor een 8 speed versnellingsnaaf. Rudi heeft echter een tien jaar oude STX 7 versnellingsnaaf, dus dat past niet, tenzij alle versnellingsonderdelen worden vervangen, en dat is een duur grapje. Maar dan bedenkt Rudi dat misschien alleen de velg kan worden vervangen; een fietsenmaker hoeft dan alleen het wiel opnieuw te spaken. Rudi belt nu een andere fietsenboer in Reykjavík op en die kan gelukkig helpen. Hij krijgt een lift van de campingeigenaar naar Reykjavík, koopt daar een nieuwe double-butted velg, krijgt een lift terug, en is halverwege de middag alweer bij de tent.

Ik doe niet veel: boekje lezen, de was doen, en thee drinken en frisbeeën met een Canadees stel. Zij zijn aan het einde van hun twee maanden lange fietsvakantie rondom IJsland. Ze hadden in Canada twee mountainbikes gekocht voor elk 200 euro, hebben deze opgebruikt en weer verkocht. Ook hun uitrusting was heel eenvoudig. Af en toe werden ze wel flink nat, maar wat zou dat. Ik vertel maar niet over mijn veel te dure fiets en uitrusting… Ze vertellen dat ze gelijk na aankomst in IJsland op weg van het vliegveld naar de hoofdstad schrokken van het rijgedrag van de locals. Het was zaterdagavond en blijkbaar is het dan stoer om met veel drank op achter het stuur te rijden. Schots en scheef reden ze, en één chauffeur gooide zelfs een fles naar het hoofd van de Canadese. Welkom in IJsland! Een paar dagen later werd de Canadees op de weg naar Þingvellir aangereden door een jeep, en de chauffeur reed gewoon door. Fietsers zijn hier minder waard dan schapen.

Rudi en ik doen boodschappen en halen een hamburger bij KFC. Bij gebrek aan een leuke uitspanning – de enige kroeg in deze grootste stad van Zuid-IJsland bleek niet levensvatbaar en is gesloten – hangen we nog een tijdje in het kooklokaal. Er zijn ook Duitsers en Fransen. Even later komt een luidruchtige Spaanse familie binnen. Mijn god, wat heeft dat Spaanse kwebbelwijf toch een vreselijk irritante, rokerige lach. Je merkt echt dat de Spaanse vrouwen de baas zijn, en dat hun mannenwatjes ter compensatie hiervan over-the-top jeeps met uitlaat op de motorkap besturen. Rudi en ik taaien af en gaan slapen. Het begint te regenen.

Dag 18: Selfoss > Tröllfossar (110 km)

We vertrekken van de camping en gaan op weg naar Þingvellir. Voor een deel volgen we dezelfde route als twee weken geleden. Ditmaal pakken we echter de [36] aan de oostzijde van het meer. We hebben voor de zoveelste keer deze vakantie wind mee; over de eerste 47 kilometer glooiende weg doen we slechts twee uur. Het laatste kwartier – de regenbroeken hadden we inmiddels uitgedaan – regenen we flink nat. In een bar aan de noordkant van Þingvellir drinken en eten we wat en houden de broeken onder de droger. Het weer wordt nu wel erg triest. We eten buiten rillend van de kou nog een paar boterhammen met jam en Camembert.

We gaan weer op weg en pakken de [52] naar het noorden. Na zeven kilometer houdt het asfalt op. De weg voor ons is van redelijke kwaliteit, al is het wel soms flink klimmen. Het is oppassen geblazen voor de passerende jeeps: overal staan plassen op de weg, en de auto’s veroorzaken enorme waterverplaatsingen. Van het landschap zien we nagenoeg niets. We komen twee fietsende Zwitsers tegen. Zij fietsen tegen de wind en regen in. Het kan dus altijd erger. Bij Biskupsbrekka vervolgen we de [52] naar het westen. We hadden eigenlijk gepland bij het meer Uxavatn te overnachten, maar het is echt petweer. De in dikke grijze wollen gehulde heuvels laten we graag achter ons. We besluiten door te gaan en vervolgen de weg naar de vallei Reykjadalur. De lucht klaart hier gelukkig weer een beetje op.

Bij Brautartunga slaan we rechtsaf en gaan over de goede onverharde [512] verder. Deze weg loopt aan de rechterkant van het dal. We hebben mazzel, want waar het op een paar kilometer afstand aan overzijde van het dal blijft regenen, houden wij het vanaf nu droog. Na de nodige klimmetjes, koeien en paarden, bereiken we de asfaltweg bij Tröllfossar en zien we de camping liggen. Ondanks de regen hebben we er 110 kilometer uit weten te persen. De camping is er een uit de Gouden Kranencategorie: overal verwarming aan, thermostaatdouche, wasmachine en droger. Wij hangen onze natte spullen te drogen en eten na het douchen een recordhoeveelheid Bever pasta met walnoten, soepgroenten, salami en een portie extra spaghetti. En als toetje gedroogde abrikozen.

Dag 19: Tröllfossar > Medalfellsvatn (78 km)

We hadden gisteren de weersverwachting voor vandaag gelezen: “Strong wind and rain showers in the western part of Iceland”. Als IJslanders het over “strong wind” hebben, dan moet het serieus zijn, dachten we. Maar het valt allemaal wel mee. En na een regenachtige ochtend schijnt zelfs af en toe de zon. We gaan dus op weg. Na tien kilometer slaan we van de [52] af en fietsen we langs enthousiaste paarden de [518] op.

Dan weer rechtsaf de [520], die zich langs een waterval omhoog wurmt. Gaat net de zon schijnen, begint het weer te regenen… We vervolgen in regenpak de linkeroever van een meer en klimmen moeizaam over een heuvelrug. Boven gekomen hebben we een mooi uitzicht op het fjord Hvalfjördur (=IJslands voor Walvisfjord). In de verte schittert tegen een dreigende lucht de zee voor een industriehaven bij Grundartangi. We gaan van de [520] linksaf de [47] op en drinken koffie bij het tankstation van Ferstikla.

We vervolgen onze weg aan het fjord naar het oosten. Het is eigenlijk best mooi hier. We ronden het fjord en gaan langs de zuidoever weer westwaarts. We komen langs de plek die berucht is vanwege de walvisvangst (hier takelen ze de walvissen aan land), maar er is momenteel geen activiteit. Dan zijn we eindelijk bij de camping bij Hvammsvík… tenminste dat denken we. Wat op de kaart staat klopt echter niet: er is geen camping. Nu gaat het natuurlijk ook weer regenen. Na een aantal kilometers zien we een groot verkeersbord: iets verderop langs de [461] moet een restaurant/winkel zijn. Daar aangekomen blijkt de eigenaar ook een camping in het dorp bij het meer van Medalfellsvatn te bezitten, die nog niet op de wegenkaart vermeld staat. Nog tien minuutjes fietsen en we zijn er: een boerencamping met een zeer luxe badkamer en een flinke schuur om te koken, en helemaal voor óns alleen!

Dag 20: Medalfellsvatn > Reykjavík (51 km)

Het dal waar de [461] en daarna de [48] doorheen gaan is lieflijk. Als de zon schijnt tenminste. Hoe hoger we komen, des te meer regen en des te minder we van het landschap kunnen zien. We worden een tijdje achtervolgd door lage regenboog. Regenpak aan-uit, aan-uit: gek word je van dit weer! Op een gegeven moment slaan we rechtsaf de [36] in, de grote weg van Þingvellir naar Reykjavík. Nu nog met flinke tegenwind zeventien kilometer tot aan de ringweg [1] fietsen. Rudi wil dat we weer om de beurt op kop gaan, maar ik wil in mijn eigen, langzame tempo de wind trotseren.

Op de [1] is fietsen weliswaar toegestaan, maar je moet er wel goed opletten. Waar komen zo plotseling al die auto’s toch vandaan? O ja, Reykjavík is de enige grote stad van IJsland: inclusief de voorsteden wonen er zo’n 170.000 mensen. Gelukkig start er na twaalf kilometer vluchtstrook een fietspad. In de hoofdstad aangekomen, zien we op een informatiebord waar de camping is: deze is vlakbij gelegen, aan de rand van een soort stadspark, naast een stadion en zwembad met wel dertien baden. De camping is groot, en de meeste gasten blijven er maar kort. De vele Zuid-Europeanen hangen ’s avonds gezellig bij het kookgedeelte.

Dag 21: Reykjavík (rustdag)

Vandaag doen we een dagje Reykjavík. Niet omdat de stad ons zo interessant lijkt, maar meer omdat we een reservedag aan het einde van de vakantie ingepland hebben. De ‘hoogtepunten’: de houten villa waar Reagan en Gorbatsjov elkaar 1986 ontmoetten; twee autovriendelijke winkelstraten; een betonnen plein waarop enkele pubers skaten om de tijd te doden; Alpinggishúsid: een fors ruim huis dat voor parlementsgebouw moet doorgaan; Rádhus Reykjavíkur: het raadhuis met een reliëfkaart van IJsland; Hallgrímskirkja: een modern-gotische kerk van monsterlijke proporties, opgebouwd uit hoog oprijzende basaltblokken; vóór de kerk een standbeeld van Leif Eriksson die naar verluidt in het jaar 1000 Amerika heeft ontdekt; een vervallen scheepskade waaraan de paar schepen die niet verroest zijn voor walvisexcursies worden ingezet. We wandelen wat rond, drinken dure koffie en bezoeken het Nationale Fotomuseum. De expositie Automatos laat slechts twintig foto’s zien, maar er zitten beslist een paar bijzondere bij. We eten bij de Chinees: de complete maaltijd hebben we binnen twintig minuten op. We wandelen dan maar weer terug naar de camping. Al met al vind ik Reykjavík zonde van de tijd: een oninteressante en rommelige hoofdstad van een (toen nog) welvarend land.

Dag 22: Reykjavík > Kevlavík (59 km)

Onze laatste fietsdag is aangebroken. De eerste paar kilometer fietsen door Reykjavík is het even zoeken naar de [40]. Wanneer we deze weg eindelijk bereiken, blijkt deze erg druk en zonder vluchtstrook. Dus gaan we tot in Hafnarfjördur over allerlei parallelwegen, voetpaden en af en toe een verdwaald fietspad naar het zuiden. Daarna nemen we een geasfalteerde parallelweg langs de aluminiumfabriek van Alcan, een groot complex met drie enorm lange productiestraten. De [41] naar Kevlavík is dan wel niet zo mooi en best druk, maar de vluchtstrook is breed en goed te doen. Er ligt hier nauwelijks glas op de weg, in tegenstelling tot wat de Canadezen in Selfoss beweerden.

Na een tijdje nemen we een alternatieve route, de [420] richting Vogar. Dit weggetje gaat vrij dicht langs de kust en we hebben behoorlijke tegenwind. We komen langs ‘abandoned farms’. De meeste boerderijen in IJsland hebben een naam en staan op de landkaarten, zo ook deze ‘verlaten hoeves’. We rijden langs een kerk die zo uit een Legodoos lijkt te komen, een gele vuurtoren en een saai Vogar. Na nog eens tien kilometer zien we bij Njardvík een mooie replica van een Vikingschip: een vrij lange en relatief brede boot. Deze staat opgesteld naast twee kleine, typisch IJslandse huisjes uit het jaar 1855. Mensen die in zulke huisjes woonden mochten van overheidswege geen huisdieren of vee houden. Pas rond 1930 kregen ze het recht om een paar schapen te houden.

Het is in Kevlavík even zoeken naar de camping, maar uiteindelijk, na 59 kilometer wind tegen en inmiddels 9 °C zijn we er. De tent staat snel en het eten is zo klaar. De laatste Bevermaaltijd, aangevuld met Uncle Ben’s rijst die anderen achter hebben gelaten, gaat er tot afgrijzen van twee nogal nette Aussies met grote happen in. Dit stel maakt een vier weken lange rondreis door Scandinavië met een huurauto, en hebben er net een week IJsland op zitten. Ze beweren dat ze in Australië alles hebben wat je op IJsland kunt zien. Ha ha! Zo te zien kamperen ze voor het eerst. Ze koken met een enorme pan met petroleumkaars; dat gaat natuurlijk erg langzaam. Wij hebben gekookt, gegeten, inclusief toetje en thee, als zij de eerste hap nog moeten nemen.

Dag 23: Thuisreis

We staan om 5.00 uur op. Een half uur later zitten we alweer op de fiets en na tien minuten arriveren we op het vliegveld. Het luchthavenpersoneel wil niet dat wij met de fietsen en bepakking het gebouw in gaan. We zuchten even diep en negeren hen. Binnen maken de fietsen vliegklaar. We staan erg lang in een rij die door de hele vertrekhal slingert. Een Duitser achter ons gedraagt zich als chauffeur van een dikke Audi op de Autobahn: zicht- en hoorbaar stoort hij zich aan “ons fietsvolk” en eigenlijk aan iedereen die voor hem aan de beurt is, en houdt niet op met bumperkleven. Ik heb met zijn vrouw te doen, die naast hem staat. We gaan net als op de heenvlucht als laatsten in het vliegtuig.

Op Schiphol worden we opgewacht door Marieke en de kinderen. Sara en Loes zijn helemaal door het dolle. Na een lekker biertje nemen Rudi en ik afscheid, en scheiden onze wegen weer.

Tot slot

We hebben dankbaar gebruik gemaakt van de informatie op de website van Michiel Erens en in het boekje Island per Rad van Ulf Hoffman. Als landkaart hebben we Landmaelingar Íslands – Ferdakort 2, schaal 1:250.000, editie 2005/2006 gebruikt.