Categories
2003 Frankrijk

De Cevennen

Dag 1: Florac > Le Rozier (67 km)

Gisteren kwam ik na 1.070 kilometer auto rijden in Florac aan. Ik laat de auto op de mooie camping en start met fietsen in het gebied van de Tarn. Vanuit Florac moet ik gelijk steil de berg op naar de Causse Mejean (vijf haarspeldbochten, 450 hoogtemeters en gemiddeld 8%). Vanaf dit plateau kan ik heel ver kijken. Het waait echter ook keihard, en daarom besluit ik snel weer naar de Tarn te gaan. Via een bloedmooie afdaling – met continu haarspeldbochten in de smalle weg en superieur uitzicht op de kloof – arriveer ik razendsnel in Castelbouc. Daar staan de huizen tegen de rotswand aan geplakt. Daarna fiets ik 43 kilometer lang door de kloof van de Tarn. Ik kijk mijn ogen uit en merk die afstand nauwelijks.

In Sainte-Enimie lunch ik op een smalle brug. Ik zie Nederlanders passeren op vouwfietsen – waanzin in deze heuvelachtige omgeving. Weer in het zadel ga ik naar Saint Chély, dat fraai is gelegen aan de overkant van de rivier. Daarna volgen de tunnels elkaar op, en wordt het dal een stuk nauwer. Bij Malène ligt aan de linkerzijde een mooie, in de rotsen uitgehakte weg naar het plateau. Ik twijfel even, maar besluit dat één steile klim wel voldoende is voor vandaag. Ik volg daarom braaf de kloof en fiets tussen hoge rotswanden en rotspieken door. Boven me hoor ik opeens stemmen: het blijken twee mannen die 150 meter boven mij aan het klimmen zijn. Hierna volgen nog twaalf kilometers voordat ik op de camping in Le Rozier arriveer. Daar is de Franse campingbazin erg nors. Bienvenue a France!

Dag 2: Le Rozier > Dourbies (64 km)

Na het ontbijten in het mooi gelegen Peyreleau ga ik zuidwaarts. Om op de Causse Noir te geraken moet ik eerst 400 meter klimmen. Na enige tijd sla ik af om een speciale rotspartij te bezichtigen: de Chaos de Montpeiller le Vieux. Daar aangekomen blijk ik 8 euro te moeten betalen voor de laatste kilometer. Dat gaat mij echt te ver – laat dat wonder der natuur maar zitten. Ik keer terug naar de hoofdweg en ga over een smalle grindweg naar beneden, naar La Roque Sainte Marguerite. Het lijkt soms of ik wolvengehuil hoor. Beneden in het dal voert de weg langs de meanderende Dourbie naar het zuidoosten. Saint Veran is een kleine 150 meter hoger op rotsen gebouwd. Heel bijzonder! Het iets verderop gelegen Cantobre mag er ook wezen: eveneens boven de rivier boven op een rots. Hier sla ik linksaf naar de Gorges de Trevezel.

Ik fiets door een van de mooiste dalen waar ik ooit ben geweest. Het is een echte canyon met ‘tafelbergen’ aan weerszijden. Heel groen, zeer verlaten. Bij Trèves lunch ik op het dorpsplein met de dorpshond aan mijn voeten. Dan ga ik verder zuidwaarts. Ik klim 250 meter naar de Col de la Pierre Plantée. Bovenop de kam aangekomen heb ik een verrassend mooi uitzicht op het dal van de Dourbie, die hier veel smaller is dan waar ik vanmorgen fietste. In de verte, zo’n 50 meter hoger, zie ik de te grote kerk van Dourbies al opdoemen. Daar aangekomen zoek ik de camping. Die vind ik uiteindelijk, maar blijkt wel gesloten. Tentje opzetten dus. Helaas is de kraan afgesloten. De miniwinkel van het dorp is eigenlijk gesloten, maar de eigenaar laat me toch binnen. Even koken en dan eten op de wankele brug over de rivier, met uitzicht op stroomversnellingen die door Bob Ross geschilderd lijken. Een fijne afsluiting van een indrukwekkende dag.

Dag 3: Dourbies > Le Vigan (66 km)

De épicherie is op woensdag altijd gesloten, maar ik mag toch gewoon weer naar binnen. Na mij komt het halve dorp brood halen, dus zo bijzonder ben ik niet. Of toch wel, want de winkelier nodigt me uit voor een bak koffie in de bar op de eerste verdieping. Da’s toch aardig. Hij vertelt dat er momenteel 25 mensen in het dorp wonen. Volgens mij zijn er dan meer huizen dan bewoners, en dan die veel te grote kerk! Ik ga mijn fiets op en verder omhoog door het dal van de Dourbie. Het landschap, de donkere wolken en de wind doen erg Brits aan.

Ik wil vandaag naar de top van de Cévenennes: de Mont Aigoual (1.567 m). Volgens de folders is deze met 2.200 mm per jaar de ‘watertoren van Frankrijk’ en ook en berucht vanwege de hard wind die er kan waaien. En dit komt vandaag allemaal uit. Na enkele kilometers over de inmiddels tien meter brede weg steekt we plots een stormachtige wind op. Wolkflarden razen in een noodvaart boven de bomen naast de weg. Wat is dit? Een tegenligger toetert naar me. Nog iets verder is er alleen maar mist en toch veel wind. Bizar. Dan stopt een auto vlak voor me. De chauffeuse zegt tegen me C’est très dangereux pour le vélo. Vent forte. Le sommet est invisible.” Shit. Het is nu al lastig om overeind te blijven, en hoe moet het dan bovenop de top zijn? Om van een berg te waaien zonder dat iemand dat ziet is een beetje sneu. Als ik dan toch ooit voortijdig het leven verlaat, laat me dat dan tenminste met een mooi uitzicht doen.

Met nog maar twee kilometer tot aan de top besluit ik om niet verder te gaan. Ik daal af naar het dal van Dourbie, ga over de eenvoudige Col de Minier (1.264 m) en fiets vervolgens door de regen naar Le Vigan. Dat blijkt een echt provinciestadje, met jeu de boules spelende ouwe knarren en verveelde jongeren. Daar vind ik een mooie en behoorlijk lege camping; het toeristenseizoen moet natuurlijk nog beginnen. Als de man van de receptie vraagt waar ik vandaan kom zeg ik “Le Mont Aigoual”. “Bad choice” is zijn antwoord. Daar is alles wel mee gezegd. Tent opzetten, koken en dan in de slaapzak om deze off-day snel te vergeten.

Dag 4: Le Vigan > Capou (80 km)

Na de teleurstelling van gisteren kan ik de confrontatie met de Mont Aigoual niet aan en fiets ik er eerst met een grote boog omheen. Eerst naar het oosten en dan naar het noorden. Het doel van de dag is de Corniche. Het eerste stuk – over de D999 en dan een lokale weg naar Sumène – is best wel saai. Gelukkig voelen de benen goed en overwin ik de zeer steile 200 meter hoogteverschil met gemak. Vanaf Sumène kronkelt de D20 zich langs de rivier de Rieufort noordwaarts. Saint Martial is een mooi gelegen stadje te midden van de beboste heuvels. Vanaf daar ga ik de Col de la Triballe op (612 m). Vanaf deze col fiets ik langs hoge heuvelwanden naar een nog hogere col in de verte. Dit is waarschijnlijk wel het mooiste stukje van de vakantie: eenzaam en rustig peddelend over een smalle weg met grootse uitzichten en een lekker zonnetje. De D152, waarover ik vanaf de Col de l’Asclier (905 m) naar beneden ga, is smal en slecht (of helemaal niet?) onderhouden. Op sommige plekken groeit het gras op het asfalt. Mooi toch? Jammer dat deze afdaling zo snel voorbij is.

Beneden fiets ik een tijdje langs een brede weg met hard rijdende auto’s en motoren. Na Saumare volgt een fraaie beklimming omhoog, de Corniche op. Deze beroemde weg loopt van Saint Jean du Gard naar Florac, en is aangelegd tijdens het bewind van Lodewijk XIV. Door een weg niet door het dal maar over de lang gestrekte heuvelrug aan te leggen, konden zijn troepen zich snel en zonder veel gevaar verplaatsen. En konden ze de protestanten in deze regio snel uitmoorden. Ik krijg inmiddels last van een forse hongerklop. In Saint Roma meld ik me bij een restaurant dat eigenlijk niet open is. De waard is gelukkig vriendelijk en ik krijg brood met ‘cold meat’ op het terras.

Weer terug op de fiets heb ik gemengde gevoelens over de Corniche: enerzijds zijn de uitzichten magnifiek (ik zie bijvoorbeeld de Mont Ventoux ver achter mij liggen, en de Mont Aiguoal is ook al de hele dag wolkenvrij), maar de weg zelf is breed, vals plat en supersaai. Ik ben dan ook blij als ik na het hoogste punt (840 m) bij Pompidou weer naar beneden kan. Beneden in het dal aangekomen blijken beide campings bij Saint André gesloten en fiets ik weer helemaal terug naar Saumare. Bij Capou vind ik een goedkope camping. Vandaag heb ik bijna 1.500 meter geklommen.

Dag 5: Capou > Florac (72 km)

Ik ben een groot liefhebber van uitslapen, ook tijdens fietsvakanties. Maar vandaag ben ik voor de verandering eens vroeg uit de veren: de Mont Aigoual staat namelijk op het menu. Ik fiets vals plat omhoog naar Saint Andre de Valborgne en eet daar een stokbroodje. Dan sla ik linksaf de heuvel op. Mooie weg die D19, en een flinke klim ook. Bijna boven gekomen sla ik weer linksaf een heel smal weggetje in richting de Col Salidés (1.014 m). Hier heb ik een fraai uitzicht op de Noordoostelijke Cevennes. Dan duik ik een kilometer naar beneden om vervolgens weer tweeënhalve kilometer 8% gemiddeld te klimmen. Het dal waar ik nu door fiets staat vol met brem die in bloei staat. In Cabillac (1.194 m) aangekomen pak ik de ‘snelweg’ naar de Mont Aigoual, die ik dankzij het mooie weer ditmaal wél goed kan zien. Het is niet echt een ‘top’ ofzo; slechts een stukje hoger dan de rest. De eerste vier kilometer rijd ik 6 tot 7%; daarna wordt het een veel makkelijker. Op de top (1.567 m) staat het vol met touringcars en andere gemotoriseerde voertuigen – ik ben de enige fietser. Het uitzicht is mooi, en ik geloof de boekjes waarin staat dat je op een heldere dag de Alpen, De Pyreneeën en Marseille kunt zien liggen maar al te graag, maar verder stelt het niet veel voor. Ik ga dus weer afdalen. Na Abrillac sla ik van de brede D18 af naar de Gorges du Tapoul door een mooi dal, over een smalle weg, en met flinke snelheid. Na Rousses wordt de weg weer breder en bereik ik de Tarnon – niet te verwarren met de Tarn waar deze rivier in uitmondt. Na tien kilometer bereik ik Florac, de eindbestemming van mijn vijfdaagse fietsvakantie. Ik ben zeer tevreden: in deze prachtige omgeving zijn ontzettend veel mogelijkheden om te fietsen, en ik heb er nog maar een klein stukje van gezien. Ik kom hier zeker nog eens terug!