Categories
2011 IJsland

Rond de Vatnajökull

Rudi en ik fietsen in juli 2011 rondom de Vatnajökull in IJsland. We rijden door prachtige groene valleien met rivierdelta’s, kruisen enorme steenwoestijnen, zoeken onze weg door met mos begroeide lavavelden en rijden langs woeste kusten. We leggen in drie weken tijd op de fiets ruim 1.000 kilometer af (en met de bus smokkelen we er nog een paar honderd kilometer bij).

Dag 1: Kevlavík > Hafnarfjordur (44 km)

Twee jaar geleden, toen we naar Schotland vlogen, was het een enorme chaos op Schiphol, waardoor we onze vlucht misten. Daarom staan we dit maal al drie uur van te voren in de rij. En dat is nodig, naar nu blijkt, want ze maken er weer een potje van. Het is niet duidelijk in welke rij je moet gaan staan, het duurt twintig minuten voordat de eerste klanten in de rij geholpen worden, en de procedure voor het inchecken van de fietsen is onhandig en anders dan voorgaande keren. Ondanks dat het vliegtuig een half uur te laat vertrekt, hebben we tussendoor nauwelijks tijd voor een kop koffie. Gelukkig verloopt de vlucht zelf voorspoedig. De fietsen komen intact aan, wat toch altijd een hele geruststelling is als je vliegt.

Als we buiten komen is het zonnig, 18 °C en staat er weinig wind. Toch valt het fietsen naar Reykjavík nog tegen, omdat het al na vieren is en we zijn vergeten om lunch mee te nemen. Uiteindelijk belanden we op een camping midden in een woonwijk van Hafnarfjordür, een voorstad van Reykjavík. We eten bij de Kentucky Fried Chicken, waar we door een meisje met een all-American smile (type: leader of the cheerleader team) worden geholpen. Ik laat me door de smakelijke foto boven de toonbank verleiden tot het bestellen van een Barbecue Burger met friet. Na één hap echter kots ik die burger bijna uit en krijg instant diarree. Wat een troep! We gaan snel terug naar de tent (en nooit meer naar de KFC).

Dag 2: Hafnarfjordur > Hvolsvöllur (110 km)

We fietsen gemütlich over de brede autoweg [41] en daarna de [1] richting Selfoss. Na zo’n tien kilometer, met Reykjavík nog achter ons in het zicht, komen we in Lavaland en verandert het landschap flink. Het is hier best mooi. Alleen is het jammer dat de ringweg zo saai is: breed en lange rechte stukken. We moeten bovendien nog even wennen aan het rijgedrag van de IJslanders. Ofschoon men bij het passeren veel afstand tot ons houdt, haalt men ook gewoon in als er tegelijkertijd een tegenligger is. Chauffeurs willen blijkbaar geen seconde verliezen. Sneu.

Toen wij hier in 2007 waren, sprongen overheid en bedrijven in roekeloze bancaire avonturen en leefden burgers op de pof of in elk geval boven hun stand. Dat is na de wereldwijde financiële meltdown rechtgezet. Toch kunnen we deze correctie niet afleiden uit de auto’s op en langs de ringweg: naast de honderden witte Suzuki’s (huurauto’s) razen talloze jeeps voorbij, van gewone Toyota Land Cruisers tot omgebouwde, megagrote Ford bussen en dito Mitsubishi terreinwagens op idioot hoge banden. De prijs voor meest bizarre auto gaat naar een exemplaar in Hella, dat een koepel bovenop heeft waarmee het op een bommenwerper uit de Tweede Wereldoorlog lijkt (maar dan zonder vleugels). Vanaf Hella is het nog maar een klein stuk tot aan de eenvoudige camping in Hvolsvollür, tevens ons eindstation voor vandaag.

Dag 3: Hvolsvöllur > Hvangill (64 km)

De zon jaagt ons om 7.30 uur de tent uit. Tijd dus om in actie te komen! We slaan midden in het dorpje linksaf naar de [261]. De eerste achttien kilometer zijn geasfalteerd en gaan langs de rand van een breed deltadal dat nabij Thorsmörk in een trechter komt. De noordzijde van de vallei, waar wij dus fietsen, is een beetje saai, maar ten zuiden van de Markarfjlót zijn de bergen woester en is de meer dan 1.600 meter hoge ijskap van de Eyjafjallajökull duidelijk zichtbaar. De weg wordt bij het vliegveldje onverhard, en even verderop volgt een eenvoudig te doorwaden rivier. De [F261] gaat hierna nog een tijdje langs een droge rivierbedding met keien zover het oog reikt. Ter hoogte van Thorsmörk buigt onze weg naar links. Tijdens onze klim uit een lange kloof ontvouwt zich achter ons een fenomenaal uitzicht over de canyon en de omringende bergen, gletsjers, ijskappen en groene heuvels.

Wat volgt is een lange, 17% steile helling met de markante heuvel Einhyrningur aan onze linkerzijde. Bovengekomen eten we knäckebröd met garnalensmeersmurrie. Maar we zijn er nog niet: de weg gaat nog verder omhoog, en soms gaat dat best lastig vanwege het mulle zand en de losse keien. We komen nu in een heel andere vallei en klimmen hier verder. We bereiken via een 15% steile helling het hoogste punt. Daarna volgt een bijzonder steile afdaling naar de rivier met de sprookjesachtige naam Innri-Emstruá, die in de diepte met door een kloof wurmt. Aan de andere kant van de brug gaan we weer steil omhoog, de kloof uit. Bovenaan de heuvel vragen we water bij de hut. Hier stopt ook net een groep ruiters op IJslandse paarden. Zij hebben een relaxte vakantie, want ze hoeven overdag alleen maar te zitten, hijsen na afloop bier en chips naar binnen en slapen in een hut. En wij maar ploeteren op onze fiets…

Het is nog veertien kilometer tot aan de camping. De track wordt al snel minder bonkig en blijft ook redelijk vlak op zo’n 500 meter hoogte. Soms halen we zelfs een snelheid van 20 km/u. De omgeving, die al erg mooi was, bereikt nu de overtreffende trap van schoonheid, mede dankzij het zachte avondlicht. Vooral het uitzicht op de groene heuvels rechts van ons met daarachter een ijskap is deze rit dubbel en dwars waard. Niet ver van de aansluiting van de [F261] op de [F210] moeten we nog even een gletsjerrivier door. Het water is slechts kniediep maar wel ijskoud. Volgens de kaart moet hier ergens in de buurt een camping zijn. Maar waar we ook kijken, we zien ‘m niet. Het is inmiddels 21.30 uur en koud, en we besluiten hier de tent hier op te zetten. We dineren om 22.45 uur.

Dag 4: Hvangill > Alftavatn (38 km)

Het is nog even wennen aan het buitenleven. Ik wil me wassen in de rivier, maar zak nogal onbenullig met mijn fietsschoenen weg in het ‘strandje’. Met als resultaat twee grote klompen modder aan mijn voeten. Gelukkig kan ik met mijn Teva’s en waterdichte Sealskin sokken ook prima fietsen. Net als we willen vertrekken, komt de paardrijdclub ons voorbij. In een langgerekt lint lopen ze elegant door de rivier. We zullen hun spoor (en poep) een groot deel van de dag volgen. Onze weg voert oostwaarts over de [F210] door de Maelfellsandur: een weidse vlakte op ongeveer 550 meter hoogte, met alleen maar gruis en lavazand. Vanaf de ijskap Mýrdalsjökull aan onze rechterhand staat een harde wind, die af en toe grote hoeveelheden zand naar ons toe blaast. De weg is vaak zo zanderig dat we erin… jawel… verzanden. Naast de weg gaat het een fractie beter en halen we met grote inspanning maar liefst zes kilometer per uur.

Bij de markante groene heuvel Maelifell waden we door een paar riviertjes en slaan we vervolgens linksaf richting het noorden. We steken een tweede vlakte over, met aan het einde een minidelta, waarbij we de vele beekjes eenvoudig oversteken. De weg wordt aan het eind van de vlakte minder zanderig en er komen wat meer klimmetjes. Na een paar kilometer staan we voor een serieuze rivier: de Hólmsá. Deze is misschien maar 20 meter breed, maar komt tot ruim boven de knieën, en er staat een behoorlijke stroming. Vlak na de doorsteek slaan we linksaf de [F233] in. Dit is een gevarieerde track van redelijke kwaliteit, met die af en toe gemeen steile hellingen (10 à 20%). Op een gegeven moment hebben we uitzicht op een groene vlakte met een rivier die sprookjesachtig in de zon baadt, terwijl er op de achtergrond donkere wolken komen opzetten. Prachtig!

Na nog een paar kilometer dalen we af naar een andere groene vallei waar Alftavatn moet liggen. Vlak voordat we de rivier de Syri Ófael bereiken is er een afslag naar rechts, maar een bordje ontbreekt. Zou dit de weg naar Alftavatn zijn? We wagen het erop. De jeep track gaat om een onverklaarbare reden bizar steil over de heuvel en vervolgens helemaal omlaag. Maar dan zijn we bij Alftavatn. Ondanks het inmiddels mistroostige weer zien we dat het vakantiehuisje schandalig mooi is gelegen. En erg luxe: er zijn twee buitenkranen en ook een schijthuisje ontbreekt niet. Er bivakkeert een Britse wandelclub, dus wij blijven buiten en zetten de tent op. Het is inmiddels 8 °C is en het regent.

Dag 5: Alftavatn > Landmannalaugar (48 km)

Om Alftavatn te kunnen verlaten moeten we met onze koude beenspieren eerst een heuvel van maar liefst 28% bedwingen. Wat een begin van de dag zeg! Wel zuur als we een paar kilometer verderop de officiële afslag naar Alftavatn tegenkomen – als we dat hadden geweten dan hadden we de supersteile shortcut wel onbenut gelaten. Hoe dan ook, vlak daarna komen we bij de lastigste rivierdoorsteek van deze vakantie: de Syri Ófael. Deze is niet zozeer breed, maar komt tot ver boven de knieën en kent bovendien een sterke stroming. Je fiets in bedwang houden is geen sinecure, maar het lukt. Direct na de doorsteek volgt een erg steile klim, waarna we een tijdje in de wolken fietsen. Het is weer gaan regenen en dat blijft het de rest van de dag doen. Als we uit de wolken afdalen kijken we uit over de brede vallei waarin de Skafta rivier dominant aanwezig is. We slaan af naar de [F208], die vanaf de zuidkust helemaal naar Landmannalaugar loopt.

Direct na de afslag van de [F223] volgt een zware klim van 15 tot 20% met een uitschieter naar 25%. Na de afdaling en de onvermijdelijke rivierdoorsteek komt ons een Nederlandse fietser tegemoet. Het is met 7 °C en een door de aanhoudende regen en wind veel lagere gevoelstemperatuur niet bepaald warm. Tot onze grote verbazing fietst hij echter in korte broek, zonder handschoenen, zonder sokken in zijn sandalen en zonder helm of capuchon. Ik heb wel eens in een stoer reisverslag gelezen dat er deze etappe in totaal 25 serieuze rivierdoorsteken zouden zijn, maar dat is schromelijk overdreven. Op een dag als vandaag, als het echt beroerd weer is en er dus veel water in de rivieren zit, komt het water maar een keer of tien tot of boven de knieën. Maar ook tien keer omkleden in de kou is nog steeds een gedoe. Op een gegeven moment fiets ook ik zonder sokken en laat ik de regenbroek gewoon aan als ik de rivier doorsteek; dat ik daar niet eerder op ben gekomen!

Ondanks de continue regen en laaghangende bewolking vangen we af en toe een glimp op van de omgeving. En die is indrukwekkend. Op een gegeven moment, als we weer eens een steile bult hebben bedwongen, kijken we uit op een prachtige vallei met een meanderende rivier tussen heldergroen mos, geflankeerd door groene heuvels, met daarnaast donkergrijze heuvels met verticale strepen, en met daarachter wit besneeuwde toppen. Ik vraag me af of je zulke variatie elders in de wereld zo mooi bij elkaar hebt.

Na een kilometer of 40 komen we uit bij een uitstekende weg door een breed dal met meren en rivieren die we niet meer door hoeven te steken. Na 44 kilometer bereiken we het punt waar we vier jaar geleden niet verder konden omdat een velg van Rudi’s fiets kapot was gegaan. Nu we weer hier zijn, is de cirkel rond, en de Wiedergutmachung een feit. Op de grote camping van Landmannalaugar zetten we de tent snel op, nemen een belachelijk dure douche en eten we couscous. We warmen langzaam maar zeker op.

Dag 6: Landmannalaugar > Spordalda (42 km)

Rudi doet boodschappen bij de Mountain Mall: het minisupermarktje in een oude schoolbus op de camping. Ze hebben er redelijk wat spullen, maar verkopen tegen woekerprijzen. Voor één plastic zak proviand betalen we omgerekend 85 euro. Als doekje voor dit financiële bloeden krijgen we van de campingbazin drie lekkere meatcakes.

Over de rit van vandaag valt niet zoveel te vertellen. We fietsen namelijk hetzelfde stuk als vier jaar geleden, maar dan wel veel sneller dan destijds, toen we nog vele kilometers door mul zand moesten. Vandaag is het zand dankzij de regen nog een beetje nat, wat het steviger maakt om op te rijden. Ook anders dan vier jaar geleden is het stuk na de doorsteek door het lavaveld (‘Mordor’) tot aan de [F26]: dat is nu geasfalteerd. Kortom, we vliegen naar ons einddoel van vandaag.

In Hrauneyjafossstöd aangekomen laden we de accu’s van de camera’s op en bestellen we hamburgers (de lekkerste van IJsland!) met friet. We zetten net als vier jaar geleden de tent achter een bomenhaagje langs de weg op. Jammer genoeg gaat de wind liggen en jagen de vele vliegen ons snel naar binnen. In de tent bekijken we de route voor de komende dagen. We willen over de Sprengisandur en dan via Askja naar Mývatn. Of dit zal lukken hangt af van het weer en de beschikbaarheid van water. Fingers crossed.

Dag 7: Spordalda > Brug over Illugaverskvísl (52 km)

De dame van de receptie van het hostel in Hrauneyjafossstöd vertelde me gisteren dat er een matige zuidwestenwind zou staan: perfect dus voor onze tocht vandaag. Helaas zat ze er volkomen naast. We vechten namelijk de hele dag tegen de koude noordoostenwind op een weg zonder enige beschutting. Op de eerste paar kilometer asfalt is dat nog wel te doen. Maar daarna, al tijdens de eerste paar honderd meter onverhard 15% omhoog recht tegen de wind in, vraag ik me af waar ik in godsnaam mee bezig ben.

Om de pret verder te bederven kom ik erachter dat het geheugenkaartje dat ik de afgelopen dagen heb gebruikt het niet meer doet: al mijn foto’s van de eerste week naar de knoppen! Maar ik kan nu geen energie verspillen aan negatieve gedachten. Die energie heb ik namelijk nodig om het juiste spoor te zoeken en in het op één-na-lichtste verzet voorwaarts te stoempen. Het weidse landschap is één grote, dorre steenwoestijn, met in de verte ijskappen en een paar vulkaankegels. De paar rivieren en beekjes met stukjes mos zorgen voor enige afwisseling. Overigens valt het wegdek mee; dit is in ieder geval veel beter te doen dan het wasbord van de Kjölur.

Bij de brug over de Illugaverskvísl staat – geheel onverwacht, want niet op de kaart – een verlaten benzinestation. Gegeven de keiharde wind houden we het voor vandaag voor gezien. Pal vóór de ingang van het gebouw zetten we de tent uit de wind op. We wassen onze gezichten. Die zijn helemaal zwart geworden: het resultaat van vette zonnebrand, harde wind en los lavazand. We hopen dat de wind ons morgen wat beter gezind is.

Dag 8: Brug over Illugaverskvísl (17 km)

We willen vandaag 56 kilometer naar de camping in Nýidalur overbruggen. In Nederland zou dat een paar uur fietsen zijn… maar dit is IJsland! De harde wind van gisteren is niet gaan liggen, maar juist harder gaan waaien. Na bijna twee uur ploeteren zijn we nog maar acht en halve kilometer ver. Volgens de landkaart kaart is er onderweg tot aan Nýidalur geen enkele beschutting om de tent fatsoenlijk op te zetten. Ik gooi de handdoek in de ring, en stel voor om terug te gaan naar het verlaten benzinestation, om vanaf daar te liften of desnoods de bus te nemen.

Als we terug fietsen halen we zonder te trappen met gemak 20 kilometer per uur over de onverharde weg – zo hard waait het. Terug bij het benzinestation bellen we de busmaatschappij Reykjavík Excursions. De eerstvolgende bus komt pas morgen om 12.00 uur. Dat is een flinke tegenvaller – maar misschien kan iemand anders ons meenemen? Niet dus. Er komen weliswaar af en toe auto’s langs, maar niemand wil twee vieze fietsers, twee vieze fietsen en tien vieze tassen meenemen. En waarom zouden ze? We besluiten ons verlies te incasseren en verslinden heel wat koekjes en bladzijden, terwijl we de dag geduldig uitzitten. Het onvermijdelijke gebeurt ’s avonds: de wind gaat liggen…

Dag 9: Brug over Illugaverskvisl > Mývatn

Het is heerlijk weer vandaag: de zon schijnt en er is geen zuchtje wind. We breken de tent af, pakken de spullen in, lopen naar de weg en wachten op de bus. Maar dan: vliegen! Waar ze vandaan komen, mag Joost weten, maar er zijn er minstens zeven miljoen die ons de minst plezierige twee uur van deze vakantie bezorgen.

Tegen twaalven is de bus eindelijk in zicht. Of eigenlijk twee: één bijna volle en één lege. Waarom zou dat zijn? Na nog geen vijf kilometer parkeert de chauffeur van Bus 1 het voertuig in het zand naast de weg en roept “Kaputt!” Er blijkt iets loos met het rechter voorwiel. Pech komt regelmatig voor op deze slechte wegen. Met name het stof dat via de ventilatiegaten naar binnenkomt is funest voor de smering van de bewegende onderdelen. Als er dan iets kapot gaat, moet je normaal uren wachten op een vervangende bus. Als die tenminste geen pech krijgt…

Wij hebben geluk, en gaan door in Bus 2. Na een half uur bereiken we het punt waar we gisteren zijn omgedraaid. Vanaf hier is het eindeloos klimmen en dalen en bochten draaien door een enorme steenwoestijn. Het uitzicht verandert nauwelijks: steeds Kerlingarfjöll aan de linkerzijde en voor ons in de verte de berg Háhyrna. Bij Nýidalur aangekomen is het landschap opeens lieflijk, met meertjes en veel gras: een mooie plek om te vertoeven en te overnachten. In ons oorspronkelijke plan wilden we vanaf hier de 120 kilometer lange [F910] naar de vulkaan Askja nemen. We zien hier echter van af: ‘Iceland’s worst road’ is officieel nog niet geopend, en als we materiaalpech krijgen is er niemand om ons te helpen. Volgens de kaart is er bovendien vanaf een kilometer of 25 een heel lang stuk nauwelijks water onderweg.  We bewaren Askja voor een volgende IJslandreis…

Ik heb er overigens geen spijt van dat we de bus hebben genomen. Het landschap is bijzonder saai, met alleen maar zand, stenen en mos. De motregen die maakt het allemaal nog wat triester. Er valt dan ook niet zoveel te vertellen over de busreis. Rond 20.00 uur bereiken we Mývatn. De fietsen, die aan twee haken achterop de bus hebben gehangen, zien er vreselijk uit: helemaal onder het plakkerige zand. Helaas is er schade: mijn ringslot is kapot gerammeld, waardoor de insteekkabel er niet meer uit gaat. Verder is op de plekken waar de bovenbuis op de haken heeft gelegen de lak van de fiets eraf gegaan. Oeps… De volgende keer nemen we een paar stukjes foam mee.

Dag 10: Rustdag Mývatn (22 km gefietst)

We fietsen over de [1] oostwaarts naar Námaskard, waar stoomwolken uit mini-heetwaterfrabriekjes komen. Daarna nemen we de [863] naar Krafla. Na een klim van 20% bereiken we het einde van de weg. Daar is een krater gevuld met water dat de blauwe lucht mooi weerspiegelt. Vlakbij is een wat langere rondwandeling bij Leirhnjúkur. Dit is een heuvel aan de rand van een groot lavaveld, waar op diverse plekken pufjes stoom uit de grond komen. De uitgezette wandeling is best aardig, maar er zijn vrij veel mensen, en op een gegeven moment hebben we het met die lava wel weer gehad.

We fietsen weer terug naar de ringweg en bezoeken de derde must see op onze Mývatn bucket list: het solfatare veld bij Hverir. Solfataren zijn openingen in de aardkorst waar zwavelhoudende dampen doorheen komen, met modderblubbers als gevolg. Er zijn ook grappige stoomtorentjes. De kleuren mintgroen, oranje en wit maken het feest compleet. Het is allemaal best aardig, maar haalt het bij lange na niet bij Landmannalaugar of Kerlingarfjoll. En dus is het wel weer genoeg geweest voor vandaag. We gaan terug naar de camping in Reykjahlid, dat met al die kleine gekleurde tentjes aan het meer mooi is gelegen.

Dag 11: Egilsstaddir > Djúpivogur (85 km)

De weg van Mývatn naar Egilsstaddir aan de oostkust ziet er op de kaart zo saai uit dat we besluiten met de bus te gaan. Vanuit de bus constateren we dat de omgeving inderdaad niet spectaculair is, al is het wat groener dan verwacht. Bovendien hebben we dankzij het mooie weer mooi uitzicht op de 70 kilometer verderop gelegen Askja-krater, die de vlakte ten zuiden van ons domineert. We kunnen zelfs de ijskap Vatnajökull zien, die op 100 kilometer afstand ligt.

In Egilsstaddir rijden we over de [1] naar het zuiden. De ringweg is hier helemaal niet druk. We hebben wind mee, het is 20 °C en de zon brandt flink op onze huid. Het dal is best mooi, met aan onze linkerzijde besneeuwde toppen waarachter de oostelijke fjordenkust ligt. Vrijwel elke kilometer zien we een boerderij. Waar die boeren hier hun geld mee verdienen is mij overigens een raadsel. Ik zie alleen maar hooibalen en geen vee.

Bij een meer na ongeveer 35 kilometer fietsen wordt de weg onverhard. Hierna klimmen we langs een bergbeek vrij eenvoudig tot de Öxipas (530 m), waar we opeens in de wolken belanden. De temperatuur daalt tot 7 °C, en zo koud blijft het de rest van de dag. Halverwege de zeer steile afdaling komen we langs een mooie waterval en zien we lang doorlopende horizontale groeven in de zuidwand.

In de lokale snackbar van Djúpivogur komen we Jan tegen: de man die ons op dag 5 in de ijskoude stromende regen in korte broek tegemoet fietste. Hij fietst IJsland tegen de klok in. Op de weinig fantasievolle camping is een huisje met een soort van huiskamer waar we beschut tegen de aanhoudende regen lekker warm kunnen zitten.

Dag 12: Djúpivogur > Stafafell (73 km)

De oostelijke fjordenkust is vast erg indrukwekkend. Helaas zien wij vandaag vooral laaghangende wolken. Het is bovendien koud (6-8 °C) en nat. We zijn dan ook opgelucht als we de camping bereiken. Het toiletgebouw is op magistrale wijze verstopt in een container en zit van binnen erg klunzig in elkaar. Gelukkig doet de douche het.

Dag 13: Rustdag (fietsen in de Jökulsá-vallei; 30 km)

Oorspronkelijk waren we van plan om over de Jökulsarsandur [908] landinwaarts te fietsen: een volgens de kaart nogal heuvelachtige route, na 25 kilometer eindigend bij Múlaskúli (een hut en kampeerplek). Maar de campingbaas vertelt ons dat het door de stroming absoluut onmogelijk is om met een fiets de Skyndidalsá door te steken. Heel toevallig heeft hij een sterke auto waarmee hij toeristen voor 50 euro per persoon naar Múlaskúli kan nemen… Grote kans dus dat hij gewoon aan ons wil verdienen. Hij stelt wel een alternatieve route voor: via de noordoever van de deltavallei naar de Eskifell, waar we via een nieuwe loopbrug de Jökulsarivier over kunnen steken.

We laten onze spullen op de camping en kijken hoe ver we via de voorgestelde weg kunnen komen. Het weer zit vandaag mee: overwegend blauwe lucht en een graad of 15. Over de bonkige weg fietsen we langs de noordoever van de delta, waar we veel vakantiehuisjes zien – in deze prachtige omgeving wil ik ook wel wonen! Na zes kilometer beklimmen we een supersteile heuvel met alleen maar keien op de weg waar we even later weer net zo steil van af stuiteren. Weer beneden bij de delta aangekomen blijkt de jeep track verdwenen. In de immense stenenzee, die her en der is onderbroken door beekjes, zien we af en toe een vaag spoor.

Na een aantal kilometers zo te hebben geploeterd komen we bij de hangbrug over de Eskifell. Aan de overkant gekomen constateren we dat we al drie uur over de eerste elf kilometer hebben gedaan en het ons nooit zal lukken om via deze omweg op de [908] te komen en dan nog vijftien kilometer heuvel op heuvel af naar het einddoel – en weer terug. Gedesillusioneerd maken we vanaf hier een wandeling van een uur over een door gele paaltjes gemarkeerd pad.

Op de terugweg ontwijken we de steile heuvel, en volgen in plaats daarvan zo lang mogelijk de rivierdelta, wat veel sneller gaat. Het licht wordt aan het eind van de middag steeds mooier, en de heuvels lichten prachtig op. Terug op de camping dineren we heerlijk in de avondzon met een indrukwekkend uitzicht op de fjordenkust en het besneeuwde achterland. Echt een toplocatie! (Zolang het niet regent.)

Dag 14: Stafafell > Jökulsárlón (114 km)

Met een flinke portie pasta in de maag vertrekken we al vroeg richting het ijsmeer Jökulsárlón. Wanneer Rudi na twintig minuten “Hé Willem, lekker relaxed cruisen zo!” roept, krijgen we opeens harde wind tegen. En die wind houdt de rest van de dag aan.

We rijden een kleine tien kilometer extra om enigszins betaalbaar inkopen te doen in Höfn, de vroegere Amerikaanse marinebasis die strategisch is gelegen in een natuurlijke baai. Vanaf Höfn fietsen we westwaarts. De uitzichten aan onze rechterzijde zijn fraai: we fietsen langs diverse gletsjers die zich vanaf de ijskap Vatnajökul tussen de soms markante bergen uitstrekken. Bij Skalafell stoppen we even voor de lunch. Er staat een imposant monument van een IJslander die het ooit tot hoge ambtenaar in Denemarken heeft geschopt. Toe maar! Hierna ploeteren we nog 40 kilometer verder tegen de wind in naar Jökulsárlón.

Dat ijsmeer openbaart zich pas bij de brug over de Jökulsá. Het is een prachtig gezicht om in het zachte avondlicht al dat ijs te zien dobberen tegen de achtergrond van hoge bergen en een enorme gletsjer. In de loop van de avond taaien alle toeristen af, en zijn we de enigen die hier kamperen. Dat doen we aan de westkant, zodat we morgenvroeg geen busladingen met toeristen over ons uitgestort krijgen. Water halen we aan de achterkant van het restaurant, want het water in het ijsmeer zelf is brak. We dineren uiteindelijk pas om 23.00 uur: gekookte aardappelen met heerlijke lamsbout en verse salade uit Holland. In de slaapzak horen we alleen de meeuwen, die gezellig met elkaar buurten, en elke keer als er ergens een stuk ijs afbreekt in paniek alle kanten opvliegen.

Dag 15: Jökulsárlón > Skaftafell (59 km)

Nadat we wakker worden ritsen we de tent open en kijken we uit over ‘ons’ ijsmeer. Na de nodige foto’s gaan we op pad. We komen al snel langs Fjallsárlón: nóg een meer waarin stukken ijs drijven die van een gletsjer zijn afgebroken. Ook mooi. We gaan verder westwaarts over een weg die door een vrij woest landschap gaat, met aan de linkerzijde de zee en rechts steile bergwanden waar her en der een stuk ijskap tussendoor komt. Eenmaal bij Fagurhólsmýri hebben we zuidenwind in de rug en cruisen we relaxt naar de Skaftafell. Een paar kilometer voor de camping doen we boodschappen bij een tankstation. Het is de enige winkel tussen Höfn en Vík. Ze hebben hier vrij veel spullen, maar de prijzen zijn absurd hoog.

De camping van Skaftafell is enorm groot, en bezaaid met één- en tweepersoons tentjes. Er worden aardig wat busladingen met backpackers gedropt. Binnen in het toiletgebouw hangen van die idiote posters waarop staat dat je aan de wastafel alleen je tanden mag poetsen en je gezicht en handen mag wassen. En er zijn maar twee douches, lauw wel te verstaan. Wat een slechte camping. ’s Avonds wandelen we in ongeveer een half uur naar de beroemde Svartifoss waterval. De verticale basaltstaven zijn echt bijzonder. Helaas komt er niet veel water naar beneden.

Dag 16: Skaftafell > Laufbali (80 km)

Om 7.00 uur worden er al veel tentjes afgebroken. Men maakt zich vast op voor gletsjerwandelingen of anders een tocht naar de Hvannadalshnjúkur (2.119 m), de hoogste top van IJsland. Wij fietsen verder naar het westen. De eerste 30 kilometer steken we de Skeidarársandur over. Deze enorme vlakte bestaat uit zand en af en toe een rivier. Het is jammer dat het gaat regenen, want je ziet dan zo weinig van de omgeving. Overigens kan het hier best gevaarlijk zijn, zoals we in het bezoekerscentrum in Skaftafell hebben gelezen. Als er onder de ijskap in het noorden magma omhoog komt, dan smelt daar het water, dat vervolgens onder de Skeidarárjökull door naar het zuiden stroomt. De weidse vlakte loopt dan binnen 24 uur onder, en bruggen worden verwoest. Maar vandaag houdt het magma zich koest.

In de buurt van Hvoll staat een hotel waar we in de lobby koffie drinken. Ik vraag de man van het hotel naar de conditie van de jeep track die we vanaf hier naar Laki willen nemen. Hij antwoordt dat de weg erg stenig is en ongeschikt om te fietsen. Klinkt goed, wij nemen die jeep track! Deze weg slingert vele kilometers lang speels door een uitgestrekt lavaveld, met groene heuvels met watervallen aan weerszijden, waarvan we door de laaghangende bewolking steeds minder zien. De wegkwaliteit valt het eerste gedeelte reuze mee: het mulle lavazand is nat geworden en zakt niet meer in, en de losse stenen blijven op hun plek liggen. Na de splitsing bij de Miklafell verandert dit: steile stukken met veel keien worden afgewisseld door bijzonder bonkige, droge rivierbeddingen. Wanneer ook de temperatuur naar 6 °C zakt en het steeds harder begint te regenen, houden we het voor gezien. We zetten de tent op een zompige plek bij een beekje op.

Dag 17: Laufbali > Hurdarbök (47 km)

Vanmorgen regent het niet langer en kunnen we iets meer van de omgeving zien. De resterende elf kilometer naar Laki zijn behoorlijk heftig, met klimmetjes die zó steil zijn dat zelfs duwen ondoenlijk is. Het is niet verwonderlijk dat we op deze jeep track niemand tegenkomen. Bij Blaengur (650 m) bereiken we het hoogste punt van de route. Het landschap wordt opeens een stuk groener. En we zien zelfs Laki liggen: de grote heuvel en de serie lagere kraters richting het zuidwesten. We dalen moeizaam af naar de [F207], een soort ringweg door het Laki-gebied. We waren eigenlijk van plan de heuvel te beklimmen om foto’s te maken, maar net op dat moment komen er lagere regenwolken aan en betrekt het. Dus we fietsen weer verder. Maar dán gaat natuurlijk weer de zon schijnen, en licht de omgeving zelfs helemaal op. We verkeren in dubio: moeten we toch niet terug? Nee, want daar komen alwéér regenwolken.

We nemen de korte variant van de Laki-ring naar het zuiden over de [F206]. Af en toe, wanneer de mistflarden even wijken, vangen we een glimp op van een mooie canyon. Maar verder zien we helaas maar weinig. Het wegdek is gedurende het eerste stuk erg goed, maar daarna zijn er regelmatig slechte stukken met veel keien. Ook is de weg veel heuvelachtiger dan de jeep track van gisteren. Dat komt doordat we gisteren de loop van één rivier volgden, terwijl we vandaag van rivier naar rivier hoppen en dus de er tussenin gelegen heuvels moeten overwinnen. De rivieren zijn overigens niet al te breed en hebben weinig stroming; slechts tweemaal moeten de broekspijpen omhoog. Na een fijne afdaling komen we bij de rivier Stjórn aan, waar we de tent bij de oversteekplaats opzetten. Het regent nog steeds.

Dag 18: Hurdarbök > Vík (78 km)

Als we opstaan zijn de weergoden ons nog steeds niet goed gestemd. Voor de derde dag op rij hebben we laaghangende bewolking en motregen. Daardoor zien we de hele dag nauwelijks iets van de omgeving. De resterende twaalf kilometer naar de asfaltweg bevatten nog een paar venijnige klimmetjes en we komen langs een woeste waterval. Terug op de ringweg hebben we naar het westen toe flink wind mee en cruisen we naar Vík. We fietsen over de noodbrug over de Mulakvísl. De vorige brug is door de sterke stroming in de rivier weggeslagen.

Vanaf de noodbrug is het nog zo’n tien kilometer fietsen naar Vík, en staat de wind zo gunstig dat we hele stukken 35 tot 40 kilometer per uur fietsen. In het stadje aangekomen doen we boodschappen en zoeken we de camping op. De wind wakkert verder aan, en het gaat steeds harder regenen. De tent gaat behoorlijk plat. Gelukkig kunnen we schuilen in het verwarmde huisje, dat niet alleen een grote zit- en kookruimte heeft, maar ook de beste douche van Zuid-IJsland! In de loop van de avond druppelen er steeds meer fietsers en backpackers binnen. Iedereen kookt zijn eigen potje. Het is een gezellige boel.

Dag 19: Vík > Hvolsvöllur (84 km)

Ook vandaag regent het regelmatig. Maar we kunnen in elk geval de onderste paar honderd meter van de ons omringende heuvels zien, en de wind is gunstig. En wat maken we dan mee? Niet veel. De Skógafoss misschien, een brede waterval die zich vanaf een hoge heuvel op een nogal lompe wijze in de diepte stort. Doe een regenpak aan als je dichtbij wilt komen! Iets verderop langs de ringweg wordt een kudde paarden door de berm naar een andere weide gedreven. Achter het prikkeldraad rennen koeien met veel plezier mee.

Bij Núpakot lunchen we bij de markante Steinafjall (811 m). Op het informatiebord staat een foto met daarop het uitzicht op de omgeving in het voorjaar van 2010, toen de as die Eyjafjallajökull in de lucht sproeide het luchtvaartverkeer lange tijd lam legde. Aan de overzijde van de weg is een bezoekerscentrum aan die uitbarsting gewijd. Op de film die ze daar vertonen is te zien welke impact de uitbarsting had op de boerderij die een stukje verderop is gelegen: overstromingen die wegen en bruggen wegspoelden, een dikke laag as op de weilanden en dagen zo donker als een winternacht.

In Hvolsvöllur zijn we nog lang niet moe, maar de weg naar Selfoss is saai en deze hebben we al eens gereden. Tijd om de tent op te zetten dus. We komen op de camping een Vlaams koppel met Avaghonfietsen tegen. De Vlaamse man weet ons te vertellen dat je als Belgisch staatsambtenaar recht hebt op een sabbatical van maximaal zes jaar, waarbij je voor elke maand verlof ook nog eens 400 euro krijgt. Geen wonder dat zij al maanden rondreizen… Terwijl we ’s avonds gezellig in het sanitairgebouwtje kletsen, komen Rudi en ik er min of meer toevallig achter dat we ons een dag hebben vergist: het is vandaag niet donderdag maar woensdag. Door de reis zijn we de tijd helemaal vergeten.

Dag 20: Hvolsvöllur > Reykjavík (bus)

Omdat de ringweg ons in dit deel van IJsland niet kan boeien, pakken we de bus naar Reykjavík. We hebben medelijden met de fietsers die we over deze saaie weg door de regen en tegen de wind in zien ploeteren. In de hoofdstad aangekomen zetten we de tent snel op en wandelen we richting het centrum. Na de teleurstellende ervaring vier jaar geleden heb ik mijn verwachting van Reykjavík zodanig naar beneden bijgesteld dat het me nu meevalt. Na een bezoek aan het Fotomuseum bezichtigen we het gloednieuwe theater Harpa. Dat vind ik wel een mooi gebouw, met veel grijs en af en toe een plukje zonnebloemgeel in het interieur, omgeven door talloze ramen in een steeds wisselende honingraatstructuur. We slenteren verder nog wat verveeld in het kleine centrum rond, en sluiten de dag af met pizza.

Dag 21: Reykjavík > Kevlavík (49 km)

We weten van de vorige keer op IJsland dat je in Reykjavík het beste de grote, doorgaande wegen kunt volgen om de stad uit te geraken; dan verdwaal je tenminste niet in de woonwijken. Fietsen over de grote weg lijkt misschien gevaarlijk, zeker daar waar een vluchtstrook ontbreekt, maar de mensen rijden rustig en houden afstand. Vanaf de aluminiumfabriek bij Hafnarfjördur gaat het harder regenen en moeten de regenbroeken weer aan. Vanwege de keiharde zijwind is het tot aan Kevlavík nog flink aanpoten. Op de camping gearriveerd duiken we het overdekte kookgedeelte in. We bereiden eerst een verlate lunch (tien gebakken eieren – kleiner hadden ze niet bij de Bonus supermarkt) en koken daarna spaghetti als avondeten. Ik wil vroeg slapen, maar kan lange tijd niet in slaap komen door het monotone geklets van onze Poolse buren. We staan om 4.45 uur op, arriveren een uur later op het vliegveld en zijn een uur voor vertrek ingecheckt. Onze mooie en natte vakantie zit erop!