Categories
2009 Schotland

De Schotse westkust

Rudi en ik fietsen in mei 2009 van Glasgow naar Inverness. De tocht voert ons langs hoogtepunten als het weidse Glen Coe, de prachtige kust van Mull, het steil uit de zee oprijzende Skye, het idyllisch gelegen Applecross en het bijzonder heuvelachtige Assynth. We fietsen in twee weken ongeveer 1.100 kilometer.

Dag 1: Glasgow > Ardbeg (47 km)

Om 8.00 uur staan we in de vertrekhal van Schiphol, en al een half uur later zijn de fietsen helemaal ingepakt. Gelukkig hebben we nog anderhalf uur om in te checken en te boarden. Maar wat blijkt: de balies 11 t/m 15 zijn samengevoegd, met als gevolg één rij van zeker 300 meter lang door het hele gebouw. “Nieuw beleid”, zegt een assistent. Na lang schuifelen zijn we pas om 10.00 uur ingecheckt, en dat is het moment dat het vliegtuig gaat opstijgen. Dan maar de eerstvolgende vlucht, die vijf uur later blijkt te gaan. We zijn weliswaar teleurgesteld door deze logistieke wanprestatie van KLM, maar rondom ons zijn veel meer mensen die met opzet ruim op tijd waren, en sommigen missen zelfs hun intercontinentale vlucht.

Als we boven Glasgow vliegen (onze gezagvoerder: “Rain and 6 °C”) zien we de ondergelopen golfbanen. Hè jakkes, gelijk in de nattigheid beginnen! De luchthaven doet enigszins verlaten en aftands aan. We droppen ons beschermmateriaal voor de fietsen bij de Premier Inn en reserveren gelijk een kamer voorafgaand aan de terugvlucht. Het is al 17.15 uur, en Rudi heeft eigenlijk geen zin meer om te gaan fietsen. Ik weet hem over te halen om toch op weg te gaan en tot voorbij Dunoon te komen.

De eerste tientallen kilometers vanaf de luchthaven lijkt het net Trainspotting: veel kleine huizen, troep langs de weg, verveeld rondhangende tieners, alle jongens als hooligans kortgeschoren. Schotland zoals we dat uit kennen. We fietsen stevig door en halen rond half negen ternauwernood de laatste afvaart van de ferry naar Dunoon. De boottocht is leuk, en Rudi maakt veel foto’s. Vanuit Dunoon (verkeersbord “Drinking in public prohibited”) is het nu nog slechts acht kilometer naar de camping in Ardbeg. De aardige campingbaas helpt ons de enige plek op het gras te zoeken waar de tent niet zal verzuipen. Het heeft hier al weken achtereen geregend, klaagt hij. We eten in de avondschemering goulash met aardappelpuree.

Dag 2: Ardbeg > Glen Orchy (93 km)

We vertrekken pas om 9.45 uur. De eerste paar uur fietsen we regelmatig door korte buitjes – werkelijk uit elk wolkje komt regen – afgewisseld met zonneschijn. Het is vrijwel windstil. De weg voert een tijd langs Loch Eck. Het landschap is lieflijk, het doet me denken aan Zuid-Noorwegen ten noorden van Kristiansand. Loch Fyne moeten we meer dan 30 kilometer ronden. Dit is een vrij saaie weg: breed en veelal vals plat. We komen er nu pas achter dat op onze kaart geen kilometers staan, maar Engelse mijlen. Dat maakt onze geplande afstanden voor de komende dagen toch vrij ambitieus; bijstellen dus.

Het aan de overkant van het Loch gelegen Inveraray bereiken we over een smalle, steile brug. Inveraray is een aardig dorpje. We eten er een hamburger en doen boodschappen bij de benzinepomp. De A819 naar het noorden is vervolgens weer saai: heel lang vals plat om uiteindelijk een hoogte van 210 m te bereiken. Maar gelukkig hebben we daarboven eindelijk mooi uitzicht op de bergen rondom de Ben Cruachan, die vanaf een meter of 900 in sneeuw zijn gehuld.

Bij het idyllisch gelegen Kilchurn Castle spreken we twee vissers die samen maar liefst zes hengels boven het water hebben hangen. Het blijkt dat ze vandaag nog helemaal niets aan de haak hebben geslagen. Het is deze winter en het voorjaar erg koud geweest, waardoor de vissen laat op deze plek komen.

Bij Dalmally vult de dame achter de bar van het hotel onze Ortlieb waterbuidel. Na vijf kilometer over de brede A85 slaan we linksaf, de zeer smalle en licht heuvelachtige weg door Glen Orchy in. De rivier vloeit rustig door dit lieflijke dal, en er is hier nauwelijks verkeer. We kamperen op de picknickplek bij de hangbrug over de Orchy, en eten Bever nasi aan de picknicktafel. Rudi klaagt over de kou; het is kortom tijd om de frisbee door de mooie avondlucht te laten zweven. Wat een heerlijke plek!

Dag 3: Glen Orchy > Strontian (89 km)

Op de mooie kampeerplek naast de Orchy ontbijten we heerlijk in het zonnetje en gaan daarna op weg. De tocht door de mooie Glen gat eerst door het bos, met af en toe klimmetjes. Nadat we halverwege de vallei een serie stroomversnellingen passeren, wordt het dal weer breder, en zien we in de verte hoge heuvels opdoemen. Bij de kruising met de A82 slaan we linksaf naar het noorden. Bij de Bridge of Orchy, waar zich een treinstation en een hotel bevinden, drinken we een hot chocolate. Door de felle zon is het inmiddels bloody hot. We trekken onze lange broek en sweater uit, doen zonnebrand op, en zetten de zonnebril op. Laat het mooie weer maar beginnen!

Weer op de fiets wordt het landschap steeds weidser. In de verte zien we besneeuwde bergtoppen. De brede weg is niet erg druk, maar de Britten die er rijden drukken het gaspedaal flink in. De meesten rijden netjes, maar toch zijn er meerdere chauffeurs die je met 100 kilometer per uur willen inhalen nét op het moment dat er een tegenligger nadert, die vervolgens naar de berm moet uitwijken. Blijkbaar schat men de lage snelheid van fietsers niet goed in.

Na een simpele beklimming bereiken we onze eerste pas van deze vakantie. We zijn hier op een soort hoogvlakte met meren aanbeland, met aan de westzijde de imposante Meal à Bhuiridh. Hierna klimmen we nog een klein stukje verder naar een hoogte 350 m om vervolgens lekker hard af te dalen door het Glen Coe. We passeren ondertussen de Three Sisters die me aan de kolossale Eiger noordwand doen denken, al is het hier allemaal een paar maatjes kleiner.

Na de afdaling gaan we via een brug naar de ferry bij Inchree, waar Loch Linnhe op zijn smalst is. Aan de overzijde van het water rijden we over veel rustiger wegen dan vanochtend. De route van Corran naar Inversanda is prachtig. Aan onze linkerzijde zien we de flink besneeuwde Ben Nevis (1.345 m). Daarna gaan we westwaarts, de Glen Talbert in. We moeten op dit stuk nog even flink aanzetten om de heuvel op te komen. Als we in Strontian aankomen, klaagt Rudi over zijn knie en heb ik verzuurde benen. Tijd om te stoppen.

De mooie locatie van het dorp aan het loch staat in schril contrast tot de shabby camping. De enige luxe is een kurken douchematje in het toiletgebouw. We nemen in het eenvoudige dorphotel the most expensive course, een steak van 12,50 pond. We drinken als toetje bier in de pub, waar de tijd stil lijkt te staan. Het barmeisje klaagt aan één stuk door over haar werk: ze wil eigenlijk iets op niveau doen, maar voor haar droombaan moet ze drie jaar studeren, en dat vindt ze veel te lang, dus blijft ze lekker klagen over haar werk als bardame… Ja, duh.

Dag 4: Strontian > Killiechronan (104 km)

Vanaf Strontian nemen we vrijwel meteen de A884 richting het zuiden. We moeten hier flink klimmen: een paar kilometer gemiddeld 9%. Dan een stukje afdalen, en vervolgens weer omhoog. Op basis van de kaart hadden we een eenvoudige afdaling straight away naar Lochaline verwacht, maar in de praktijk blijft het heuvelachtig. We moeten de vaart er echt inhouden om de volgende pont te halen, die ons in een kwartier naar Fishnish Bay brengt.

We fietsen verder over de vlakke A849 naar Graignure, de aankomstplaats voor het veer uit Oban. Men is hier ingesteld op het toeristenseizoen in de zomer, maar nu is het rustig. We eten in het zonnetje (26 °C) op een terras een duurste hamburger van het menu: de Giant McGregor. We maken hier een praatje met een dame uit Newcastle, die direct na ingang van haar pensioen op de fiets naar de Hebriden is vertrokken. Vanaf hier werpen we een blik op de Ben Nevis, die vijftig kilometer van ons vandaan goed zichtbaar is. Volgens een local komt een vrij uitzicht op de hoogste berg van Schotland hier niet vaak voor.

Vanaf de weg naar het zuiden hebben we een fraai uitzicht op de zee en de bergen op het vasteland. Daarna gaan we westwaarts. Er wordt hier verschrikkelijk veel hout gekapt; de Schotten zijn erg into forestry management. Eerst denken we dat de Schotten naaldhout kappen om er vervolgens loofbomen voor terug te planten, maar later wordt ons verteld dat het rechttoe-rechtaan houtproductie betreft, net als in Scandinavië.

Boven het dal van Glen More wordt het landschap opeens een stuk ruiger. Meerdere valleien eindigen op dit zadelpunt. Vanaf een hoog punt hebben we uitzicht op meertjes in de diepte. Verderop is een hoge heuvel (Corra Bheinn) met als top een grappige piramide. Rudi was hier zeven jaar geleden ook, maar zag toen vanwege de laaghangende bewolking helemaal niets. Nu is het zó helder dat we ons meerdere keren moeten insmeren.

VanafLoch Scridain loopt een heel smalle kustweg kronkelend naar het westen. Boven op een heuvel vallen onze monden open van verbazing: we hebben vanaf hier een fantastisch uitzicht op de vele eilandjes in het Loch na Keal, de trapsgewijs geërodeerde vormen op Ulva en bovenal de steile kliffen bij Balnahard. Het is inmiddels 18.30 uur, en ik had beloofd naar het thuisfront te bellen. Omdat ik geen mobiel bereik heb, probeer ik in een ouderwetse telefooncel te bellen. British Telecom wil het gebruik van deze cellen blijkbaar ontmoedigen, gezien de vele ponden die ik er in een paar minuten door heen jaag.

Het volgende stuk, een smalle weg onderlangs steile kliffen, is misschien wel het mooiste stuk van de hele fietsvakantie. We kijken steeds achter ons hoe de ondergaande zon langs de kliffen het water doet schitteren. We kamperen pal aan de kust, met als achtergrondgeluid de vele zeevogels. We verorberen een gigantische hoeveelheid spaghetti met verse ingrediënten, en wassen ons in het 400 meter verderop op een autowerkplaats gelegen sanitairhuisje. Wat wil een mens meer?

Dag 5: Killiechronan > Resipole (88 km)

Ontwaken op deze topcamping is een waar genoegen. Om 5.00 uur horen we de ganzen al. Als we om 7.30 uur opstaan, staan er achter onze tent drie mannen uit Windsor met verrekijkers naar vogels te turen. Als ik de tent uitkom, raak ik met één van hen aan de praat. Hij zegt dat er een zeearend met een spanwijdte van tweeënhalve meter een nest in de buurt heeft. Hij heeft het ook over de steeds dikker wordende Britse jeugd: tegenwoordig hebben veel jongens van die stierennekken. We kunnen wel uren met hem blijven praten, maar we hebben andere plannen. Na een ontbijt op een grote steen in het loch gaan we op pad.

Vanaf de weg zien we de steile kliffen aan de overkant van de baai scherp tegen elkaar afsteken. We passeren ook de ferry naar Ulva: een nauwelijks bewoond eiland dat bij wandelaars in trek is. Bij Kilminian wordt de weg, die toch al best hilly was, opeens erg steil (20%). Goed gepositioneerd staat hier een bankje waar we even op uitrusten en van het fraaie uitzicht genieten. Nadat we nog een paar honderd hoogtemeters hebben overwonnen, dalen we af naar Calgary Bay. Deze naam doet me op de een of andere manier denken aan iets spectaculairs, maar het is gewoon een mooi gelegen baai met zandstrandje. We eten er een sandwich en nemen een cafeïneshot.

De rit van Calgary Bay naar Tobermory is nogal pittig. We moeten drie keer een paar honderd hoogtemeters overwinnen met diverse kleinere klimmetjes tussendoor. In de afdaling na Dervain zien we één van de weinige fietsvakantiefietsers op onze reis in Schotland. Hij wil wat tegen ons zeggen, maar we hebben geen tijd om gezellig te doen. De ferry naar het noorden gaat namelijk maar eens per anderhalf uur. Tobermory zelf is een plaatsje met aan de baai gesitueerde huizen die in bonte kleuren zijn geschilderd. Bij de Spar, gehuisvest in een kerk, doe ik nog snel even een paar boodschappen.

Nadat we met de ferry bij Kilchoan zijn aangekomen, moeten we de heuvel op. Vanaf hier zien we de eilanden Rhum, Muck en Eigg, waarvan de silhouetten uit de zee opdoemen. Echt een prachtig gezicht! Na nóg een heuvel gaan we verder naar Loch Sunart. De weg naar ons eindpunt is zeer grillig en kost ons veel energie. Soms verandert de smalle weg opeens in een ontzettend brede autoweg. Dat hebben we volgens de borden die langs die weg staan te danken aan EU-subsidies. Misschien is dit goed voor de lokale economie, maar voor ons fietsers gaat de charme er zo wel een beetje af. Laat Brussel in hemelsnaam van de mooie Schotse wegen afblijven!

Dag 6: Resipole > Breacais Losal (98 km)

Vanaf de aangeharkte camping van Resipole vertrekken we noordwaarts. De omgeving van Loch Shiel en Loch Moidart is lieflijk. Helaas heb ik veel last van mijn hamstrings – zeker nog de naweeën van de inspanning van gisteren. Vanaf Glenuig Bay hebben we een mooi uitzicht op de uit de zee opdoemende eilanden Eigg en Rùm, en heel in de verte zien we Skye. Van de saaie A861 gaan we verder over de A830, een brede weg waar hard gereden wordt – niet echt fietsvriendelijk. De paar stukjes fietspad zijn te hobbelig om fatsoenlijk over af te dalen. Bij Arisaig kunnen we eindelijk van deze weg af, en nemen we de mooie heuvelachtig kustweg naar Morar. We rijden langs strandjes en inhammen met rotsen die met algen bedekt zijn, en houden uitzicht op de eerder genoemde eilanden.

De laatste paar kilometers naar Mallaig volgen we weer de grote weg. We komen net een paar minuten te laat voor de veerboot naar Skye, maar dat geeft niet, want we gaan lekker in het zonnetje op een terras fish & chips eten. Om 18.00 uur pakken we alsnog de veerboot. Op Skye aangekomen, fietsen we snel verder. Op onze toch best gedetailleerde Ordnance landkaart staan twee campings bij Brecais aangegeven: één blijkt een niet al te gastvrij uitziend woonwagendorp, en de ander is onvindbaar, waar we ook kijken. We zijn inmiddels chagrijnig wanneer we een automobilist aanhouden en hem om advies vragen. Hij bevestigt dat er inderdaad geen campings meer zijn, en nodigt ons tot onze verrassing uit om in zijn tuin te kamperen.

Zo gezegd, zo gedaan. Na een paar kilometer fietsen komen we aan bij zijn witte huisje aan de zee. Terwijl wij de tent in het hoge gras opzetten, zet hij bier voor ons klaar. Ik probeer voorzichtig duidelijk te maken dat hij echt niet zoveel moeite voor ons hoeft te doen, maar hij zegt dat we binnen kunnen douchen en begint voor ons te koken. Hij –Peter Dunlop– woont hier nu anderhalf jaar alleen in dit gezellige huis. Zijn vrouw is anderhalf jaar geleden overleden, en zijn dochter werkt aan de University of Edinburgh. Peter presenteert een wekelijks jazzprogramma op Cuillin FM, ‘het’ radiostation van Skye. Hij heeft in jazzliefhebber Rudi een goede gesprekspartner. Als we na de lekkere pasta, bier, wijn en oatcakes met koffie, ook nog diverse dure whisky’s geserveerd krijgen, is de avond helemaal top! Omstreeks 1.30 uur kruipen we vrolijk aangeschoten de tent in.

Dag 7: Breacais Losal > Elgol (30 km)

Vandaag genieten we van een welverdiende rustdag op het eiland Skye. Wanneer we om 9.00 uur opstaan is Peter al naar zijn werk. Hij heeft de deur voor ons open gelaten, zodat wij ons kunnen opfrissen. Nadat we de sleutel aan het eind van de ochtend bij Peter, die bij een printshop in Broadford werkt, hebben afgegeven, geven we hem als dank een fles Tobermory whisky cadeau. Weer op de fiets nemen we de smalle B8083 naar het zuidwesten. Van de mijnbouw en de spoorlijn die hier ooit lag is tegenwoordig niets meer te zien. We stoppen even bij een kerkruïne met oude (familie)graven.

Vanaf het gehucht Torrin aan het Loch Slaping wordt de weg mooier. Na een lange, maar niet al te steile klim bereiken we de eerste huizen van Elgol. Zoals elders zijn de huizen in dit dorp overwegend wit. We dalen vrij abrupt af naar de kust. Hier beneden is er niet veel meer dan een aanlegsteiger en een parkeerplaats, en geen gezellig vissersdorpje, zoals ik me had voorgesteld. Vanaf hier kan men boottochtjes maken naar Rùm, Eigg of Coruisk. Wij houden het na een korte fotosessie voor gezien.

Er is hier aan de kust geen hotel of camping, en we zien ook geen geschikte plek om te gaan wildkamperen. Terug de heuvel op dan maar. In de klim moeten we een kleine kilometer lang 15 tot 25% bedwingen, en met al die bepakking op onze fietsen is dat best steil. Boven gekomen droppen we onze spullen bij een Bed & Breakfast en gaan gelijk weer op pad. We wandelen een eind langs de kust om goed zicht te krijgen op The Cuillins (spreek uit: Koelins), de hoogste toppen van Skye, die steil uit zee oprijzen.

Later die avond eten we bij het enige restaurant in de wijde omtrek: het Seafood Restaurant. Het eten is prima en de bediening hartelijk. Rudi bestelt een behoorlijke hoeveelheid verse reuzekrabbenscharen. Onhandig is dat hij deze stuk voor stuk open moet slaan, dus dat schiet niet erg op. Gelukkig schiet de eigenaar hem te hulp met een reusachtige moker. Voldaan, uitgerust en gedoucht gaan we een keer in een echt bed slapen.

Dag 8: Elgol > Applecross (103 km)

We nemen afscheid van de vriendelijke gastvrouw van de B&B. Met de zon in zicht fietsen we naar het noordoosten. Vanaf Broadford is de A87 een saaie, brede weg. We komen al snel bij de brug naar Kyle of Lochalsh, die eigenaardig bol is ontworpen. Aan de overkant gaan we snel van de grote weg af en nemen de kustweg naar Achmore. Alhoewel een kustweg… we gaan regelmatig landinwaarts om weer een of andere heuvelrug te beklimmen. En als je dan langs de kust rijdt, zie je niets van de zee door de metershoge heggen.

Het volgens de reisgidsen aardige plaatsje Plockton laten we links liggen. Durinish is een aardig dorpje, waar de weg steil naar de lokale brug gaat. We rijden vervolgens lang door het bos tot we bij de brede A890 aan komen. We zien een grappig verkeersbord “Stromeferry (no ferry)”. De weg kent een aantal flink steile klimmen tot wel 18%. Bij Stratcarron ronden we Loch Carron, en gaan we, na 75 kilometer tegen de wind in te hebben gefietst, met hoge snelheid westwaarts. De weg naar Ardarroch is gemeen steil.

In Tornapress beginnen we aan de mooie weg naar Applecross, tevens Schotland’s hoogste geasfalteerde pasweg. De eerste paar kilometers maken tegemoetkomende automobilisten gebaren in de trant van “succes”, “sterkte”, of misschien wel “sukkels!” – ik weet het niet. De smalle weg door een komdal is pittig maar haalbaar: de eerste kilometers slechts 3 tot 5%, vervolgens een paar kilometer 8-10%, dan een volle kilometer 12 tot 18%, en tot slot bij de haarspeldbochten weer een stuk 8 tot 10%.

Boven op de hoogste pas van Schotland (626 m) genieten we van een mooi uitzicht op Skye. De afdaling naar zeeniveau is super. Je kunt hier hoge snelheden halen, ware het niet dat de weg smal en bochtig is. Bijna beneden zien we herten tussen de schapen in het weiland. De camping bij Applecross is perfect. Wel is het hier al redelijk druk zo vroeg in het seizoen; in de zomer is het hier waarschijnlijk gekkenhuis. In de lokale pub proosten we op deze mooie dag.

Dag 9: Applecross > Gairloch (104 km)

We rijden vanmorgen eerst langs het romantisch gelegen witte kerkje van Applecross. Dankzij het prachtige weer houden we lang uitzicht op de bergen van Skye aan de overkant van de Inner Sound. Op wat toeristen na is het hier verlaten; langs de hele westkust van het schiereiland tellen we misschien vijftien huizen. De weg wordt gaandeweg steeds heuvelachtiger: elke keer weer een meter of 50 tegen 10-12% omhoog en weer omlaag… dat hakt er goed in. Anderzijds biedt de smalle en afwisselende weg voldoende afleiding om niet aan de arme beenspieren te hoeven denken.

Op vrijwel gelijke hoogte met de goed zichtbare vuurtoren van Rona, aan de overkant van het water, ronden wij bij Fearnmore de noordkaap van het schiereiland. We gaan nu naar de bergen op Wester Ross. Eerst moeten we vijftien kilometer heuvel op, heuvel af fietsen. In Shieldaig serveren de Australische serveersters ons hamburger met friet. Na dit dorp is de A896 veel minder geaccidenteerd, net als de weg door Glen Torridon, die langs enkele meer dan 1.000 meter hoge toppen door een stenig landschap voert.

Rudi heeft last van zadelpijn en zijn achillespees, en ik zit ook niet meer zo lekker op mijn fiets. We overwegen of we in Kinlochewe op de camping moeten blijven, maar die blijkt er een van de Caravaning Club (“Sorry – No tents”). Dus we trappen nog 30 kilometer verder. Met hangen en wurgen gaan we weer naar het noordwesten, ditmaal langs het Loch Maree. Onze camping is midden in het dorp Gairloch op een soort plateau, en er staan veel caravans. Britten zijn werkelijk verzot op caravans: liefst zeven meter lang en met twee assen. Buiten komen de bejaarde bewoners alleen om hun hondje uit te laten, zo lijkt het wel. Als we de lelijke caravans wegdenken, hebben we een mooi uitzicht op de baai.

Dag 10: Gairloch > Ullapool (93 km)

Om Gairloch uit te komen, moeten we gelijk anderhalve kilometer 10% gemiddeld stijgen. Dat is niet goed voor de koude spieren. Gelukkig worden de hellingen daarna een stuk minder heftig. Als we Loch Ewe bereiken, zien we betonnen gevaarten in het water staan: wat is hier aan de hand? Het informatiebord biedt uitkomst: de baai was in de Tweede Wereldoorlog één van de belangrijke verzamelplaatsen voor het goederentransport naar Moermansk via the Arctic route. Het loch moet toen zwart van de schepen hebben gezien. Nu zijn er nog slechts restanten van pieren en afweergeschut.

Bij Little Gruinard klimmen we vanaf een mooi stukje zandstrand richting Mungasdale. Weer beneden rijden we een makkelijke weg langs het Little Loch Broom. Volgens de kaart zouden we bij Dundonnell over een smal weggetje naar Ullapool kunnen afsnijden, maar helaas geeft een bord “No ferry” aan. De A893 stijgt hierna flink. We hebben tegenwind en ook gaat het weer regenen. Als we eindelijk boven zijn, stopt het met regenen en breekt de zon door. Het landschap is hier enorm weids. Overal zien we half omgewaaide witte hekken in een mooi verlicht landschap met op de achtergrond onheilspellende wolken. Kortom: prachtig!

In de afdaling naar de A835 hebben we een goed uitzicht op de vallei richting Loch Broom. Het lijkt hier een beetje op het Noorse fjordengebied. Op de stadscamping in Ullapool heb ik eindelijk weer mobiel bereik. Terwijl ik naar huis bel, zie ik de gitzwarte wolken die vlak boven het loch hangen op ons af komen. Rudi heeft nog maar nét de tent opgezet of het begint echt gigantisch te hozen – maar liefst anderhalf uur achter elkaar. Als het weer droog wordt, gaan we Ullapool verkennen. We eten (erg slecht!) in de Publican Seafood Pub of the Year 2006.

Dag 11: Ullapool > Achmelvich (57 km)

Waar het gisteravond nog regende, schijnt vandaag de hele dag de zon. We doen voor enkele dagen boodschappen bij de supermarkt, omdat we hebben gehoord dat er in Lochinver geen supermarkt zou zijn. Ik bestel via de telefoon kaartjes voor de treinreis die we over een paar dagen van Inverness naar Glasgow gaan maken. Nu al bestellen is slim omdat de Schotse spoorwegen maar heel beperkt plaats hebben voor tweewielers. De dame aan de lijn praat zo snel met zo’n accent dat ik haar nauwelijks kan volgen als ze de codes doorgeeft. Gelukkig zal later blijken dat ik ongemerkt een vette korting op de reguliere prijzen heb gekregen.

Vanaf Ullapool naar het noorden moeten we gelijk flink klimmen. Na een kleine twintig kilometer slaan we van de A835 linksaf richting Loch-Lurgainn. Deze op en neer gaande, slingerende weg ligt ons goed. We zien mooie bergen aan weerszijden van het meer. Er groeit veel brem langs de weg, die op de Michelin-kaart overigens niet als groene weg staat aangegeven. Waarschijnlijk kun je een groene aanduiding ‘kopen’ als je in de restaurantgids vermeld wilt worden, en hier zijn geen restaurants. De zon brandt inmiddels zo fel dat ik ondanks goed insmeren blaartjes op mijn oren krijg.

Dan slaan we rechtsaf naar Lochinver. Deze smalle, heuvelachtige en ongenummerde weg is echt een juweeltje! Elke kilometer is er weer iets nieuws te zien: de ene keer fiets je bijna bovenaan een heuvel met weids uitzicht, vervolgens beland je in een Cévennes-achtige vallei, en daarna arriveer je als het ware aan de Côte d’Azur. Zeer markant is de Suilven (731 m): een langgerekte heuvel die aan één zijde abrupt stopt. Aan die zijde lijkt de berg wel een soort Matterhorn – echt heel maf! Het is ook fijn dat er hier maar weinig verkeer is. Caravans mogen hier niet komen (lekker puh!). In Lochinver blijkt er toch een goed geoutilleerde Spar te zijn, dus hebben we onze boodschappen voor niets meegezeuld. Om het leed te verzachten kopen we nog een fles wijn en andere lekkere dingen erbij.

Vanaf Lochinver is het nog maar zes kilometer tot aan de camping in Achmelvich. Het blijkt een flink heuvelachtige weg die zich aan het eind omlaag stort naar een baai aan de ruige kust. Er is hier een wit zandstrand met groenblauw water. We zetten ons tentje pal aan het water. En dat voor slechts 3 pond per persoon. Dit is the best camp site ever. Naast ons komt een aardige Schot staan, die er zichtbaar opgelucht op uit trekt nu zijn vrouw een weekje van huis is met vriendinnen. Hij vertelt over zijn lange afstand fietstocht door Schotland met zijn vader, die toen alweer 75 jaar oud was. Die vader wilde ondanks een stijf lichaam per sé op een herenracefiets rijden, en ging daarom steeds op een steen of stoep staan om zijn been over het zadel te krijgen. That’s the spirit!

Dag 12: Achmelvich > Invercassley (91 km)

Het is voor ons de Dag des Oordeels: de route van vandaag, die langs de west- en noordkust van Assynt voert, staat bekend als meest heuvelachtige weg van Schotland. En het begint gelijk al goed: binnen een kwartier hebben we al 150 hoogtemeters te pakken. En inderdaad gaan we de rest van de dag continu stijgen en dalen. Alle klimmen zijn 10 tot 15%, maar nooit al te lang.

In het dorpje Stoer is het dak van de kerk afgewaaid. Bij Clashnessie komt het water uit zee in één 400 meter brede rol naar het strand. Dat kennen we in Nederland niet. In het kleine Drumbeg kopen we een stokbrood in het uitstekende supermarktje. En dan begint het opeens te plenzen. We kunnen gelukkig onder een soort afdakje schuilen. Als we weer verder gaan, wordt de weg nóg steiler, tot wel 25%. Op zich is dit nog wel te doen, maar met regenpak aan ga je er wel flink van zweten.

Als we bij de brede A894 aankomen, hebben we alweer 900 hoogtemeters in de benen. Ook nu moeten we klimmen, maar het gaat wel een stuk geleidelijker. We halen hier eindelijk twee fietsers in die een dagtrip maken maar al wel 20 kilometer voor ons in het zicht rijden. Hen inhalen geeft ons natuurlijk wel een kick. We dalen hierna af naar Loch Assynth. Zodra we bij de pittoresk gelegen ruïne van Ardvreck Castle zijn, breekt de zon door. Bij Inchnadamph baadt een mooi gevormde heuvelwand in het warme zonlicht.

Het is vanaf hier tien kilometer naar Ledmore, waar we naar de A837 afslaan, het dal van de Oykel in. Achter ons worden de mooie bergtoppen die het weidse landschap bepalen steeds kleiner. We drinken een kop koffie bij een motel, waar een gigantische houtkachel staat te loeien. Hierna vervolgen we de rustige, smalle weg door het groene en steeds minder ruige dal. De oude Oykel Bridge is apart zo hoog boven de gelijknamige rivier. Bij Invercassley halen we water en bier bij een hotel. Bij gebrek aan campings hier in de buurt zetten we iets verderop de tent op naast een picknick plaats. We dineren in een blokhut die normaal dienst doet als natuureducatiecentrum.

Dag 13: Invercassley > Inverness (102 km)

Vanmorgen zijn we al vroeg uit de veren en pakken we de spullen snel in. Rudi is namelijk bang dat een boswachter ons op deze natuureducatieplek betrapt. Na een snel ontbijt in de blokhut springen we op onze fietsen. De A837 gaat voorlopig alleen maar licht omlaag. Bij Fearn Lodge gaan we rechtsaf de B9176 op, een flinke klim naar ongeveer 240 m. Het uitzicht stelt niet zoveel voor na wat we de afgelopen weken hebben gezien. Het begint te regenen. Het hele stuk door Easter Ross hebben we afwisselend regen en zon. Net als je je regenpak aan hebt, stopt het weer met regenen.

Beneden gekomen hoeven we gelukkig niet de drukke A9 op. Op mijn Google Maps staat een parallelweg langs Evanton. Daar schuilen Rudi en ik in een telefooncel voor de plotselinge regen. We moeten wel weer flink klimmen over deze aardige, landelijke weg. Vanaf Dingwall is de weg erg druk. Bij Beauly krijgt Rudi ook nog eens last van zijn knie. “Nog even volhouden”, zeg ik, “We zijn bijna bij de finish!” Hoe dichter we bij Inverness komen, des te harder rijden de automobilisten. Soms is dat echt onverantwoord: ons inhalen en dan vlák voor de tegenligger uitwijken – het scheelt dan echt maar een haar!

Inverness is op het eerste gezicht een drukke en rommelige stad. Maar als wij er aankomen is het dan ook spitstijd. We gaan eerst naar het station. Ik had in Ullapool namelijk treinkaartjes voor ons en de fietsen gereserveerd, en wil deze alvast afhalen. Terwijl ze een stuk of twaalf kaartjes voor ons uitprint, zegt de dame aan het loket dat we mazzel hebben gehad met de kaartprijs: deze ligt zeker de helft lager dan wat we normaal zouden moeten betalen. Helaas kunnen we door plaatsgebrek – lees; de treinen zijn er niet op ingericht – niet rechtstreeks naar Glasgow, maar moeten we via Aberdeen.

De stadscamping ligt tweeënhalve kilometer naar het zuiden naast het lokale sportcomplex van Inverness. Rudi en ik pikken er gelijk de enige tafel van het tentenveld in. We eten heerlijke curry met kalkoen, groenten en rijst. We staan voor de derde keer deze vakantie naast hetzelfde Duitse stel dat met een bus rond toert; de wereld is klein. We besluiten onze reis met bier in de pub. Morgen gaan we weer terug naar Glasgow, en vanaf daar naar Nederland. We zijn erg tevreden over deze fietsvakantie!